Hoe ver reikt artikel 31 CMR?
Inleiding
Bij internationaal wegvervoer kan vaak in meerdere landen worden geprocedeerd. Artikel 31 CMR bepaalt welke nationale rechters bevoegd zijn om van een geschil kennis te nemen. Kort gezegd kan een procedure worden gestart in het land waar de gedaagde is gevestigd, waar de goederen volgens de vervoerovereenkomst in ontvangst zijn genomen of waar zij moesten worden afgeleverd. Deze bevoegdheidsregeling is exclusief geformuleerd: valt een geschil binnen in het bereik van artikel 31 CMR, dan kunnen partijen in beginsel uitsluitend procederen bij een rechter die op grond van die bepaling bevoegd is.[1]
De bevoegdheidsregels zijn in alle bij het CMR-Verdrag aangesloten landen hetzelfde. Dat betekent echter niet dat rechters in die landen de verdragsbepalingen altijd op dezelfde manier uitleggen. Zo wordt in Duitsland sneller dan in Nederland aangenomen dat sprake is van met opzet gelijk te stellen schuld, waardoor een vervoerder daar eerder onbeperkt aansprakelijk is. Tegen die achtergrond kan de keuze van het forum grote invloed hebben op de uitkomst van het geschil. De partij die als eerste een procedure aanhangig maakt bij een voor haar gunstige bevoegde rechter, kan daarmee voorkomen dat het geschil later in een minder gunstig land wordt beoordeeld. Over deze vorm van ‘forumshoppen’ schreven wij eerder in Forumshopping: you snooze you lose! en Forumshoppen in het wegvervoer loont.
Maar wanneer valt een procedure onder artikel 31 CMR? De bepaling spreekt niet slechts over vorderingen ‘uit de vervoerovereenkomst’, maar over: ‘Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft.’ Die formulering is ruim en roept de vraag op waar de grens precies ligt. Welke geschillen geven nog voldoende aanleiding tot het verdrag om onder de bevoegdheidsregeling te vallen, en wanneer is het verband met het verdrag te ver verwijderd? In deze blog verkennen wij aan de hand van enkele uitspraken de reikwijdte van artikel 31 CMR.
Rechtsgedingen die logischerwijs onder artikel 31 CMR vallen
Dat artikel 31 CMR van toepassing is op een vordering van een ladingbelanghebbende tegen een vervoerder wegens verlies, beschadiging of vertraging van goederen, spreekt voor zich. Hetzelfde geldt voor vorderingen van vervoerders tot betaling van vracht en voor regresvorderingen tussen vervoerders wegens tijdens het vervoer ontstane schade.[2] Deze geschillen worden immers rechtstreeks door het CMR-verdrag beheerst.
Minder evident is de positie van rechtsgedingen die niet rechtstreeks zijn gebaseerd op de vervoerovereenkomst of op het CMR-verdrag, maar wel nauw samenhangen met het vervoer waarop het verdrag betrekking heeft. Juist in die gevallen komt de vraag op hoe ver het toepassingsbereik van artikel 31 CMR strekt.
Minder voor de hand liggende rechtsgedingen die toch onder artikel 31 CMR kunnen vallen
Retouremballage
Een Belgisch houtbedrijf vorderde schadevergoeding van een Nederlandse vervoerder wegens niet-geretourneerde pallets. De pallets dienden als emballage bij het vervoer van hout van België naar Nederland. Rechtbank Gelderland oordeelde dat de verplichting om de pallets te retourneren deel uitmaakte van de vervoerovereenkomsten. De Nederlandse rechter was op grond van artikel 31 lid 1 CMR bevoegd, omdat de vervoerder in Nederland was gevestigd.
Op het eerste gezicht lijkt een geschil over retouremballage niet te zien op een onderwerp dat het CMR-Verdrag zelf regelt. De pallets werden echter gebruikt bij het internationale vervoer van de goederen en de verplichting om deze te retourneren maakte volgens de rechtbank deel uit van de vervoerovereenkomsten. Vanwege die nauwe samenhang viel ook het geschil over de pallets onder de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR.[3]
Onzes inziens had het houtbedrijf ook kunnen betogen dat het retourneren van de pallets zelf eveneens vervoer van goederen over de weg vormt. Als ook dat vervoer voldoet aan de vereisten van artikel 1 CMR, kan de retourrit om die reden rechtstreeks aan de CMR en daarmee aan de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR zijn onderworpen.
Directe actie op een buitenlandse verzekeraar
Een Nederlandse vervoerder en haar verzekeraars spraken na diefstal van een lading zonnepanelen niet alleen de ingeschakelde vervoerder aan, maar ook diens buitenlandse aansprakelijkheidsverzekeraar. Deze verzekeraar was geen partij bij de vervoerovereenkomst, maar kon op grond van het toepasselijke Poolse recht wel rechtstreeks worden aangesproken. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat ook deze directe vordering onder artikel 31 lid 1 CMR viel. Uit de ruime formulering van deze bepaling volgt volgens de rechtbank dat niet alleen vorderingen tussen CMR-contractspartijen, maar ook directe vorderingen tegen de verzekeraar van een vervoerder hun aanleiding vinden in het CMR-vervoer.[4] Dat is praktisch van belang. Wanneer het toepasselijke nationale recht een directe actie toestaat, kan de aansprakelijkheidsverzekeraar mogelijk samen met de vervoerder worden aangesproken voor een rechter die op grond van artikel 31 CMR bevoegd is. De eiser kan zo in dezelfde procedure een aanvullende, doorgaans solvabele debiteur aanspreken.
Buitencontractuele aanspraken van niet-contractspartijen
Een Nederlandse vervoerder kreeg opdracht voor het wegvervoer van een lading vanuit Oostenrijk naar Schiphol. Dit vervoer maakte deel uit van een langer traject naar China, waarbij de lading vanaf Schiphol per vliegtuig verder zou worden vervoerd. Tijdens het lossen op Schiphol raakte een deel van de lading beschadigd. De vervoerder begon daarop ook tegen de Chinese koper en diens goederenverzekeraar een procedure en vorderde een verklaring voor recht dat zij niet aansprakelijk was, dan wel dat haar aansprakelijkheid beperkt bleef tot de CMR-limiet. De Chinese partijen waren geen partij bij de wegvervoerovereenkomst en konden de vervoerder daarom niet op grond van die overeenkomst aanspreken. Hun mogelijke aanspraken berustten op onrechtmatige daad. Toch oordeelde rechtbank Noord-Holland dat ook de gevorderde verklaringen voor recht over deze mogelijke buitencontractuele aanspraken onder artikel 31 lid 1 CMR vielen. De gestelde aanspraken hielden immers verband met de beschadiging van de lading tijdens de uitvoering van de wegvervoerovereenkomst en vonden daarmee hun aanleiding in het CMR-verdrag.[5]
Deze benadering sluit aan bij artikel 28 CMR. Die bepaling voorkomt dat de aansprakelijkheidsregeling van de CMR eenvoudig wordt omzeild door een vordering op een buitencontractuele grondslag te baseren. Ook in zogenoemde Cargofoor-situaties kan dit onderscheid relevant zijn. In het Cargofoor-arrest ging het om schade aan andere goederen dan de vervoerde goederen.[6] De aansprakelijkheid voor die schade werd niet door de materiële aansprakelijkheidsregeling van de CMR beheerst, maar door het nationale recht. Dat neemt onzes inziens niet weg dat een daarop betrekking hebbend rechtsgeding, vanwege het verband met het CMR-vervoer, binnen het ruime bereik van artikel 31 CMR zou kunnen vallen.
Rechtsgedingen die niet onder artikel 31 CMR vallen
Borg voor GPS-systemen
Een Nederlandse opdrachtgever en een Litouwse vervoerder sloten een charterovereenkomst voor de uitvoering van transportopdrachten. Voor de concrete grensoverschrijdende transporten gold de CMR. Het hof ’s-Hertogenbosch oordeelde daarom dat de vordering van de vervoerder tot betaling van openstaande vrachtfacturen onder artikel 31 lid 1 CMR viel. Deze facturen hadden immers betrekking op concrete vervoerovereenkomsten die onder de charterovereenkomst tot stand waren gekomen. De vervoerder vorderde daarnaast terugbetaling van een borg die zij had betaald voor GPS-systemen die de opdrachtgever ter beschikking had gesteld. Volgens het hof zag deze vordering niet op het aan de CMR onderworpen grensoverschrijdende vervoer. De Nederlandse rechter kon zijn bevoegdheid voor dit deel van het geschil daarom niet baseren op artikel 31 CMR.[7]
Voor de praktijk betekent dit dat binnen één contractuele samenwerking verschillende bevoegdheidsregelingen kunnen gelden. Wie meerdere vorderingen in één procedure wil instellen, moet daarom per vordering onderzoeken of artikel 31 CMR van toepassing is. Voor vorderingen die daarbuiten vallen, moet een afzonderlijke bevoegdheidsgrond bestaan. Ontbreekt bijvoorbeeld zo’n bevoegdheidsgrond voor de Nederlandse rechter, dan kan voor die vordering een afzonderlijke procedure bij een buitenlandse rechter nodig zijn.
Geen vervoer- maar expeditieovereenkomst
Een Nederlandse opdrachtgever schakelde een Pools bedrijf in voor het vervoer van een zending vanuit Deventer naar Polen. Het Poolse bedrijf besteedde de uitvoering uit aan een vervoerder, waarna de goederen tijdens het transport verdwenen. De opdrachtgever en haar verzekeraar spraken het Poolse bedrijf aan tot vergoeding van de schade en stelden dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 31 lid 1 CMR bevoegd was, omdat de goederen in Nederland in ontvangst waren genomen. Rechtbank Overijssel oordeelde echter dat het Poolse bedrijf niet als vervoerder, maar als expediteur was opgetreden. De overeenkomst viel daarom niet onder artikel 1 lid 1 CMR, zodat ook de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR niet van toepassing was.[8] Dit onderscheid heeft dus praktische gevolgen. Bij vervoer kan de plaats van inontvangstneming of aflevering bevoegdheid opleveren, terwijl bij expeditie andere bevoegdheidsregels en mogelijk een arbitraal beding uit de Nederlandse Expeditievoorwaarden gelden. De kwalificatie als vervoer of expeditie kan daardoor bepalen in welk land en bij welke instantie moet worden geprocedeerd.
Conclusie
Artikel 31 CMR is ruim geformuleerd. Voor de toepasselijkheid lijkt niet alleen doorslaggevend op welke juridische grondslag een rechtsgeding berust, maar vooral of het voldoende verband houdt met vervoer waarop de CMR van toepassing is. Ook geschillen met niet-contractspartijen of over verplichtingen die het verdrag zelf niet inhoudelijk regelt, kunnen daardoor binnen het bereik van artikel 31 CMR vallen.
Die ruime reikwijdte betekent echter niet dat ieder rechtsgeding dat enigszins met internationaal wegvervoer samenhangt, volledig onder artikel 31 CMR valt. De beoordeling moet per rechtsgeding en zo nodig per afzonderlijke aanspraak plaatsvinden. Bovendien moet een van de in artikel 31 lid 1 CMR genoemde aanknopingspunten daadwerkelijk naar de gewenste rechter verwijzen.
Het verdient daarom aanbeveling om bij een internationaal vervoersgeschil zo vroeg mogelijk vast te stellen welke rechter bevoegd is en welke nationale uitleg van de CMR voor de eigen positie het gunstigst is. Dat kan onder meer het verschil maken tussen beperkte en onbeperkte aansprakelijkheid, tussen het wel of niet vergoeden van bepaalde schadeposten en tussen kwalificatie als vervoer of expeditie. Wie te lang wacht, loopt het risico dat de wederpartij als eerste een procedure begint in een voor haar gunstiger land. Heeft u te maken met een internationaal vervoersgeschil en wilt u uw procespositie tijdig bepalen, dan denken wij daar graag over mee.
[1] Partijen kunnen op grond van artikel 33 CMR ook overeenkomen dat hun geschil door arbiters wordt beslecht. Het arbitragebeding moet dan bepalen dat het scheidsgerecht het CMR-Verdrag toepast. In dat geval wordt het geschil niet aan een van de in artikel 31 CMR genoemde gerechten, maar aan het overeengekomen scheidsgerecht voorgelegd.
[2] In de literatuur wordt voor regres tussen opvolgende vervoerders ook verdedigd dat niet artikel 31 CMR, maar de bijzondere bevoegdheidsregeling van artikel 39 lid 2 CMR van toepassing is. Hoofdstuk VI CMR bevat voor opvolgend vervoer een afzonderlijke regeling die mede strekt tot versterking van de verhaalsmogelijkheden van de verhaalzoekende vervoerder. Echter, de Rechtbank Rotterdam oordeelde in een zaak over opvolgend vervoer dat artikel 39 lid 2 CMR geen exclusieve, maar een aanvullende bevoegdheidsregeling bevat. De bewoordingen ‘kan zulks doen’ wijzen volgens de rechtbank op een keuzemogelijkheid; Rechtbank Rotterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:12232, S&S 2024/43.