Goed geïnformeerd: de informatieplicht van de expediteur

Als goederen worden gestolen tijdens het door een expediteur geregelde vervoer, dan is die expediteur niet snel aansprakelijk voor de gevolgen van de diefstal. De expediteur verbindt zich immers jegens zijn opdrachtgever slechts tot het sluiten van een vervoerovereenkomst ten behoeve van de opdrachtgever.

Het sluiten van een vervoerovereenkomst lukt de expediteur meestal wel. Idealiter sluit hij een overeenkomst met een betrouwbare logistieke dienstverlener, omdat het inschakelen van een ‘fake carrier’ zelfs voor expediteurs risico’s met zich meebrengt.[1]

In een recente zaak bij de rechtbank Rotterdam had een expediteur niet een ‘fake carrier’ ingeschakeld, maar werd hem verweten in plaats van een vervoerder een expediteur te hebben ingeschakeld. Waarom dat verwijt werd gemaakt, en of het problemen opleverde voor de expediteur, leest u in deze blog.

Juridisch kader

Op grond van art. 8:60 BW verbindt de expediteur zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever) tot het te haren behoeve met een vervoerder sluiten van een vervoerovereenkomst van door deze wederpartij ter beschikking te stellen zaken. Als deze zaken tijdens het geregelde vervoer gestolen worden of beschadigd raken, rust op de expediteur een informatieplicht. Op grond van art. 8:63 lid 1 BW is de expediteur verplicht:

“(…) de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot verhaal van opgekomen schade.”

Een schending van de informatieplicht heeft grote consequenties. De expediteur is in dat geval een schadeloosstelling verschuldigd als ware hij zelf vervoerder (art. 8:63 lid 3 BW).

Volgens de wetgever is het doel van de informatieplicht kort samengevat het wegnemen van het verschil in feitelijke positie ten aanzien van de goederen, dat tussen de expediteur en zijn opdrachtgever bestaat. Daarom dient hij bij kennisgeving van schade onverwijld te doen weten met welke vervoerder(s) hij, om aan zijn verplichtingen als expediteur te voldoen, vervoerovereenkomsten aanging. Daarnaast dient hij alle gegevens en documenten verschaffen, die de afzender in staat kunnen stellen een actie tot schadevergoeding tegen deze vervoerder(s) in te stellen.[2]

Art. 8:63 lid 1 BW en de toelichting van de wetgever op dit artikel laten de nodige ruimte voor discussie. Wanneer is er geen sprake meer van het ‘onverwijld’ delen van informatie? En wat wordt precies bedoeld met ‘alle documenten en gegevens’ die kunnen leiden tot verhaal? Is de expediteur ook verplicht uit eigen beweging de verzekeringsgegevens van de vervoerder te delen?

Jurisprudentie

De afgelopen jaren is er mondjesmaat geprocedeerd over de reikwijdte van de informatieplicht van de expediteur.

In een eerste zaak van de rechtbank Rotterdam had de expediteur enkel zijn aansprakelijkstelling aan de vervoerder met zijn opdrachtgever gedeeld. De rechtbank oordeelde dat nu de aansprakelijkstelling niets zei over de inhoud van de onderliggende overeenkomst tussen de expediteur en de vervoerder, het daarmee geen document was dat een basis kon vormen voor het verhalen van schade die deze vervoerder heeft veroorzaakt. De expediteur was dus aansprakelijk voor de schade aan de vervoerde lading.[3]

In een zaak bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant deelde de expediteur ook geen schriftelijke overeenkomst met de vervoerder, maar deelde hij wel allerlei andere documenten waaruit bleek wie de ingeschakelde vervoerder was. De rechtbank achtte dit voldoende, waarbij werd meegewogen dat de opdrachtgever niet had toegelicht waarom nadere informatie over de vervoerovereenkomst noodzakelijk was voor het instellen van een actie tegen de vervoerder. Ook had de opdrachtgever niet aangevoerd dat de expediteur geweigerd had die informatie te verstrekken.[4]

In een tweede zaak bij de rechtbank Rotterdam vroeg de opdrachtgever, die zeer regelmatig opdrachten gaf aan een expediteur, om de gegevens van alle vervoerders die in het jaar 2021 een specifieke route hadden gereden. Dit werd gevraagd tegen de achtergrond van stelselmatige verduisteringen. De rechtbank oordeelde dat een expediteur zijn administratie zo moet inrichten dat hij voor elke vervoerovereenkomst die hij ten behoeve van haar opdrachtgevers aangaat desgevraagd de opdrachtgever kan voorzien van de naam van de door haar ingeschakelde vervoerder, ook als dat veel tijd en kosten met zich meebrengt.[5] Een wijze les, al liep deze zaak alsnog met een sisser af voor de expediteur. De opdrachtgever kon onvoldoende onderbouwen welke zendingen hij precies bij de vervoerder voor transport had aangeboden en welke niet waren aangekomen. 

De onderhavige casus

In de meest recente zaak bij de rechtbank Rotterdam gaf de opdrachtgever aan de expediteur opdracht om het wegvervoer van een lading nikkelbriketten van Rotterdam naar Spanje te organiseren. De expediteur schakelde een Nederlandse logistieke dienstverlener in, die op zijn beurt een Roemeense vervoerder inschakelde om de zending te vervoeren. Tijdens het vervoer werd de lading gestolen, nadat de chauffeur de trailer in Frankrijk had achtergelaten in verband met reparatiewerkzaamheden.[6]

De opdrachtgever stelde zich op het standpunt dat de expediteur zijn informatieplicht van art. 8:63 lid 1 BW had geschonden. Volgens de opdrachtgever had de expediteur niet onverwijld inzichtelijk gemaakt welke vervoerovereenkomst was gesloten. Een van de verwijten van de opdrachtgever was dat de expediteur aanvankelijk had gecommuniceerd dat hij de logistieke dienstverlener als vervoerder had ingeschakeld, terwijl de logistieke dienstverlener beweerde als (onder)expediteur te hebben gecontracteerd. Daarnaast stelde de opdrachtgever dat de expediteur niet de verzekeringsgegevens van de vervoerder had gedeeld.

Nu de opdrachtgever ook nog aanvoerde dat de omstandigheden rondom de diefstal aanleiding gaven voor doorbreking van de aansprakelijkheidslimiet, was het risico voor de expediteur niet gering. De waarde van de zending was volgens de opdrachtgever circa USD 390.000.

De rechtbank Rotterdam volgde het betoog van de opdrachtgever niet en oordeelde dat de expediteur zijn informatieplicht niet had geschonden. Daarbij was van belang dat uit de door de expediteur gedeelde documenten de opdrachtgever zelf had kunnen concluderen dat de logistieke dienstverlener als expediteur had gecontracteerd, of in ieder geval dat hij het ‘expeditieverweer’ zou gaan voeren. Ook een later door de expediteur gedeeld expertiserapport vermeldde expliciet het expeditiestandpunt van de logistieke dienstverlener. De rechtbank concludeerde dat het voor de opdrachtgever na ontvangst van deze informatie duidelijk moet zijn geweest dat hij zich tot de Roemeense vervoerder moest wenden, van wie de contactgegevens ook waren gedeeld.

Nu de expediteur daarnaast kon aantonen wel degelijk de verzekeringsgegevens te hebben gedeeld, had de expediteur ook op dit punt aan zijn informatieplicht voldaan. De rechtbank kon in het midden laten of dit verplicht was op grond van art. 8:63 lid 1 BW.

Uiteindelijk is de uitspraak vooral interessant omdat de rechtbank impliciet aangeeft dat de expediteur die een onderexpediteur inschakelt ook onverwijld de gegevens van de uiteindelijk ingeschakelde vervoerder moet delen. Nu art. 8:63 lid 1 BW geen rekening lijkt te hebben gehouden met onderexpeditieovereenkomsten, is dat voor de expediteur iets om voortaan rekening mee te houden.

Een daarmee verwant aspect van de zaak is het spanningsveld tussen de informatieplicht en de veelvoorkomende discussie of een overeenkomst als expeditie- of als vervoerovereenkomst moet worden gekwalificeerd.[7] In deze zaak had de expediteur zowel de gegevens van de logistieke dienstverlener als die van de feitelijk vervoerder gedeeld, zodat de rechtbank niet uitgebreid stil hoefde te staan bij het kwalificatievraagstuk. De expediteur die verwacht dat zijn opdrachtnemer een expeditieverweer kan voeren, doet er dus zekerheidshalve goed aan ook de gegevens van de feitelijke vervoerder te delen met zijn opdrachtgever.

Conclusie

De beperkte hoeveelheid jurisprudentie over art. 8:63 lid 1 BW betekent misschien dat het niet zo vaak foutgaat met de informatieplicht van de expediteur. Toch kan het geen kwaad om stil te staan bij de enorme gevolgen die de schending van de informatieplicht kan hebben. Door samenloop van omstandigheden kan er discussie onstaan over hoe ver de informatieplicht precies reikt. In dat geval deelt een expediteur vaak liever iets te veel, dan te weinig. Zo bent u ook weer goed geïnformeerd.



[2] Parl. Gesch. Boek 8, MvT (14049) bij art. 8:63 BW, p. 121.

[3] Rechtbank Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL: RBROT:2021:8710, S&S 2022/17. Zie ook: De verplichting van de expediteur informatie te verstrekken.

[4] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7627, S&S 2023/59.

[5] Rechtbank Rotterdam 4 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6790, S&S 2025/115.

[6] Op moment van schrijven is de uitspraak (nog) niet gepubliceerd.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2026 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden