De verplichting van de expediteur om informatie te verstrekken

Februari 2022

Inleiding

De expediteur moet zeggen wat hij doet en moet doen wat hij zegt”.[1] Deze gevleugelde uitspraak van prof. Haak lijkt zo eenvoudig, maar de vraag of sprake is van vervoer of expeditie houdt partijen in Nederland nog altijd in veel zaken verdeeld.[2] Hoe de Nederlandse rechter deze vraag beantwoordt, zal in dit blog niet worden besproken. Daarvoor verwijs ik graag naar het artikel van Leendert van Hee getiteld ‘Vervoer of expeditie: een kwestie van uitleg’.[3] Waar dit blog wel over gaat is over de verplichting van de expediteur om informatie te verschaffen. Wat is het gevolg van het niet naleven van deze verplichting?

De informatieverplichtingen van de expediteur

Wanneer een partij contracteert als expediteur en hij het vervoer ook uitbesteedt, betekent dit niet dat hij niet alsnog aansprakelijk kan zijn als ware hij opgetreden als vervoerder. Op grond van artikel 8:63 lid 1 BW heeft de expediteur namelijk de verplichting om bij vertraging, schade en/of verlies:

“de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot verhaal van opgekomen schade.”

Komt een expediteur deze verlichting niet na, dan is hij op grond van artikel 8:63 lid 3 BW naast vergoeding van de schade die de opdrachtgever als gevolg daarvan lijdt een schadeloosstelling verschuldigd is. De hoogte van de schadeloosstelling is het bedrag dat de opdrachtgever van de expediteur had kunnen krijgen wanneer de expediteur zelf was opgetreden als vervoerder.

Wordt de soep zo heet gegeten als hij wordt opgediend?

Dat het nalaten om voldoende informatie te verstrekken grote gevolgen kan hebben voor de expediteur, blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 september 2021.[4]

In deze zaak was schade ontstaan aan een machine die was verkocht door Vostermans Nederland (‘Vostermans NL’) aan Vostermans China. De machine werd in een container eerst over de weg vervoerd naar een terminal in Nederland en vervolgens over het spoor naar China. Toen de container werd overgeladen op de grens tussen Kazachstan en China op een andere wagon, is de container uit de kraan gevallen. Hierdoor is schade ontstaan aan de container en aan de machine.

Verzekeraar Achmea had Vostermans NL schadeloos gesteld en sprak in deze procedure logistieke dienstverlener Lift Freight Services (‘LFS’) aan tot vergoeding van de schade. Achmea stelde primair dat LFS was opgetreden als vervoerder en in die hoedanigheid aansprakelijk was. Subsidiair betoogde Achmea dat voor zover LFS was opgetreden als expediteur, zij had nagelaten om informatie te verstrekken over de wijze waarop zij had gecontracteerd. Om die reden was LFS volgens Achmea ook als zij als expediteur zou zijn opgetreden, voor de schade aansprakelijk als ware zij opgetreden als vervoerder.

De Rechtbank Rotterdam beoordeelde eerst of er sprake was van vervoer of expeditie. De rechter keek o.a. naar de wijze waarop tussen partijen was gecontracteerd en, voor zover daar onduidelijkheid over bestond, naar wat partijen redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten opmaken (de Haviltex-maatstaf). Partijen hadden in deze procedure o.a. verwezen naar de hoedanigheid van LFS zoals vermeld in het handelsregister, de communicatie tussen partijen, de wijze waarop de opdracht was aanvaard, de website van LFS, de e-mailhandtekening van LFS, de offerte van LFS en haar factuur. De rechtbank woog de verschillende standpunten en oordeelde dat LFS was opgetreden als expediteur.

Vervolgens kwam de vraag aan de orde of LFS aansprakelijk is als ware zij opgetreden als vervoerder, omdat zij volgens Achmea niet aan haar informatieverplichtingen had voldaan. Achmea stelde dat LFS had nagelaten om alle relevante informatie en documentatie te verschaffen waaruit blijkt welke (vervoer)overeenkomsten LFS had gesloten.
LFS betoogde dat zij wel aan haar informatieverplichtingen had voldaan door een document te verstrekken waarin LFS het bedrijf Fr. Meyer’s Sohn (‘FMS’) aansprakelijk stelde. Dit bedrijf was volgens LFS als vervoerder ingeschakeld.

Deze door LFS verstrekte informatie is volgens de rechtbank onvoldoende om te voldoen aan de informatieverplichtingen die op de expediteur rusten in de zin van art. 8:63 lid 1 BW. LFS had stukken moeten verschaffen waaruit blijkt met wie zij welke overeenkomsten had gesloten en zij had de daarmee verband houdende vorderingsrechten moeten overdragen. Het enkel toezenden van een kopie van een aansprakelijkstelling is onvoldoende. Deze aansprakelijkstelling zegt niets over de overeenkomst tussen LFS en FMS. Het andere document dat LFS nog had toegezonden was een ‘rail waybill’, maar ook dit stuk biedt onvoldoende informatie voor verhaal.

De rechtbank concludeerde dan ook dat LFS niet had voldaan aan haar informatieverplichtingen (van art. 8:63 lid 1 BW). De sanctie van artikel 8:63 lid 3 BW is van toepassing. LFS is dan ook aansprakelijk als ware zij zelf opgetreden als vervoerder. Zij werd veroordeeld om de schade van bijna € 40.000,- aan ladingverzekeraar Achmea te vergoeden.

Het nalaten de juiste informatie te verstrekken kan grote gevolgen hebben

Het verstrekken van tijdige en juiste informatie over de wijze waarop is gecontracteerd, is voor een expediteur van groot belang. Doet hij dit niet, dan kan hij aansprakelijk zijn als ware hij zelf opgetreden als vervoerder.

Mocht u van gedachten willen wisselen over deze zaak, over de verplichtingen van een expediteur of over de vraag of er sprake is van vervoer of expeditie, neem dan gerust contact op met Lisanne van Baren.

* * *

[1] K.F. Haak, De expediteur: een grensgeval (oratie Rotterdam), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 8.
[2] In andere landen speelt deze discussie soms veel minder. Bijvoorbeeld in Duitsland is door het Bundesgerichtshof, de hoogste Duitse rechter, op 14 februari 2008 (I ZR 183/05) geoordeeld dat wanneer een partij een lumpsum in rekening brengt, deze partij in beginsel dient te worden aangemerkt als vervoerder en niet als expediteur.
[3] L.R. van Hee, ‘Vervoer of Expeditie: een kwestie van uitleg’, Weg en Wagen 2017, nr. 82. Te raadplegen via https://www.vantraa.nl/nl/kennis/vervoer-of-expeditie-een-kwestie-van-uitleg/. Mocht een logistieke dienstverlener een waaier aan activiteiten ontplooien en niet alleen vervoer en/of expeditie in enge zin, dan zij ook verwezen naar M.H. Claringbould, ‘Meer dan vervoer of expeditie: van 3PL tot supply chain management’, Weg en Wagen 2019, nr. 86. Te raadplegen via https://www.vantraa.nl/nl/kennis/meer-dan-vervoer-of-expeditie-van-3pl-tot-supply-chain-management/
[4] Rechtbank Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8710

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2022 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden