Hoe zit het ook al weer met … de verjaring van vorderingen tegen een verzekeraar?

De mogelijke verjaring van een vordering tot het doen van een uitkering van een verzekerde op een verzekeraar is nog regelmatig onderwerp van discussie in procedures. Dit was ook het geval bij een procedure voor de rechtbank Gelderland.[1] Bij dit geschil stonden De Wereldbazar en Achmea tegen over elkaar. Achmea wordt door de rechtbank in het gelijk gesteld: de vorderingen van De Wereldbazar zijn verjaard.

Wettelijke regeling

Op grond van artikel 7:942 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Voor het ingaan van de verjaringstermijn jegens de verzekeraar is vereist dat de vordering opeisbaar is geworden en dat de uitkeringsgerechtigde met die opeisbaarheid bekend is. Van opeisbaarheid van de vordering op de verzekeraar is sprake zodra een onder de polis gedekt schadevoorval zich heeft voorgedaan.
Verjaring van de vordering kan worden voorkomen door de verjaring te stuiten, door middel van een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar vangt vervolgens pas aan met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar de aanspraak erkent of ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen (artikel 7:942 lid 2 BW). Voor de aansprakelijkheidsverzekering geldt een aparte regeling voor het stuiten van de verjaring (artikel 7:942 lid 3 BW).

De procedure bij de rechtbank Gelderland

In de procedure bij de rechtbank Gelderland was het met name de vraag op welk moment de vordering op de verzekeraar opeisbaar wordt. Achmea en De Wereldbazar hadden in maart 2017 een verzuimverzekering gesloten. Op grond daarvan was De Wereldbazar verzekerd voor de schade die zij leed als gevolg van de loondoorbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid van één of meer van haar werknemers, voor maximaal 104 weken. Nadat een werknemer van De Wereldbazar in september 2017 arbeidsongeschikt was geraakt, heeft Achmea op grond van die verzekering in totaal ruim € 102.000 uitgekeerd over de periode van september 2017 tot februari 2019.

In april 2019 veranderde de situatie echter. Achmea stelde zich op het standpunt dat feitelijk geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen De Wereldbazar en de betrokken werknemer. Om die reden stopte Achmea met uitkeren en vorderde zij de reeds betaalde verzekeringsuitkeringen terug. In de langjarige procedure die hierop volgde, werden de vorderingen van Achmea door de rechtbank en het hof afgewezen. Daarmee kreeg De Wereldbazar uiteindelijk gelijk op het punt dat Achmea de reeds uitgekeerde bedragen niet mocht terugvorderen.

Nadat het hof in oktober 2024 arrest had gewezen, richtte De Wereldbazar haar aandacht op een andere kwestie. Volgens haar had Achmea ten onrechte geen uitkeringen betaald over de periode van 19 februari 2019 tot 6 september 2019, terwijl de werknemer gedurende die periode nog steeds arbeidsongeschikt was. In november 2024 verzocht De Wereldbazar daarom om een overzicht van de nog verschuldigde uitkeringen. Vervolgens maakte zij in februari 2025 aanspraak op betaling van ruim € 38.000 aan aanvullende uitkeringen, vermeerderd met rente.

Achmea verweerde zich echter met de stelling dat deze aanspraak inmiddels was verjaard. De rechtbank volgde dat verweer.

Oordeel rechtbank Gelderland ten aanzien van de verjaring

De rechtbank oordeelde dat de niet-uitgekeerde maandtermijnen telkens afzonderlijke vorderingen op de verzekeraar vormden. Die vorderingen werden opeisbaar in de periode februari 2019 tot en met september 2019. Omdat De Wereldbazar op dat moment bekend was met de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en wist dat zij in beginsel aanspraak kon maken op uitkeringen onder de polis, begon de verjaringstermijn van drie jaar volgens de rechtbank direct (na iedere maandelijkse betaling) te lopen.

Het verweer van De Wereldbazar dat zij pas na afloop van de procedure tegen Achmea voldoende zekerheid had over haar aanspraken, vond geen gehoor bij de rechtbank. Ook het beroep op stuiting slaagde niet. De rechtbank overwoog dat het voeren van verweer tegen de terugvorderingsvordering van Achmea niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op de later gevorderde verzekeringsuitkeringen. Voor een geldige stuiting in de zin van artikel 7:942 lid 2 BW is vereist dat de verzekerde zelf schriftelijk aanspraak maakt op uitkering. Omdat een dergelijke mededeling pas werd gedaan nadat de verjaringstermijn al was verstreken, wees de rechtbank de vordering af.

Conclusie

De uitspraak van de rechtbank Gelderland sluit aan bij de heersende leer in de rechtspraak en de literatuur op het gebied van de opeisbaarheid van vorderingen onder een verzekeringsovereenkomst en de stuitende werking van processtukken en/of procedures. Bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering met maandtermijnen, welke verzekering op bepaalde onderdelen vergelijkbaar is met de verzuimverzekering, is bij iedere termijn sprake van een op zichzelf staande, losse vordering op de verzekeraar. De verzekeraar dient dan immers iedere maand een beoordeling te maken of er nog sprake is van arbeidsongeschiktheid, voordat wordt uitgekeerd. Voor elke opeisbare maandtermijn geldt dan een (zelfstandige) verjaringstermijn van drie jaar.

In 2010 oordeelde de Hoge Raad, in een procedure die overigens niet betrekking had op een vordering onder een verzekeringsovereenkomst, dat je met een stuitingshandeling niet mag wachten tot de rechter over een onderliggend geschil heeft beslist.[2] Ook volgt uit de literatuur dat, hoewel dit een kwestie van uitleg is, niet ieder processtuk automatisch als een stuitingshandeling kwalificeert.

De uitspraak van de rechtbank Gerderland onderstreept dat in het geval van een discussie tussen de verzekerde en de verzekeraar over dekking, partijen er goed aan doen zich bewust te zijn van het startmoment van de verjaring, namelijk de bekendheid van de uitkeringsgerechtigde met de opeisbaarheid van de vordering. Dat partijen met elkaar procederen of standpunten uitwisselen over een schadegeval, betekent niet zonder meer dat de verjaring van alle mogelijke aanspraken wordt gestuit. Voor stuiting van de verjaring op grond van artikel 7:942 BW blijft uitgangspunt dat de verzekerde tijdig en schriftelijk aanspraak maakt op uitkering.



[1] Rechtbank Gelderland 3 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5280.

[2] HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118, r.o. 4.1.5, NJ 2010/215.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2026 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden