Geen onderverzekering bij evenementenverzekeringen
Wanneer een evenement onverwacht wordt geannuleerd en aanspraak wordt gemaakt op vergoeding onder de evenementenverzekering, kan onduidelijkheid over de reikwijdte van de dekking van de evenementenverzekering ontstaan. Dat laat het scala aan jurisprudentie over annuleringen wegens Covid-19 zien. Is sprake van een gedekte gebeurtenis? Zo ja: welke schadeposten worden gedekt en hoe moet worden omgegaan met situaties waarin de kosten hoger uitvallen dan begroot?
Dit laatste aspect speelde een centrale rol in een kwestie waarover de rechtbank Amsterdam zich heeft gebogen.[1] De vraag rees of onderverzekering (ex. art. 7:958 lid 5 BW) al dan niet analoog van toepassing is bij dit type verzekeringen. Ook riep de betekenis van het aankruisen van het vakje ‘slotbetaling’ in e-ABS door (een deel van) de betrokken verzekeraars op de polis bij het accorderen van een schaderekening, de nodige discussie op.
Onderverzekering?
Het gaat in deze kwestie om een groot muziekfestival ‘Oh My! Music Festival’ dat in de zomer van 2020 zou plaatsvinden. Vanwege Covid‑19-maatregelen kan het festival niet doorgaan; het evenement wordt geannuleerd. De organisator maakt aanspraak op uitkering onder zijn evenementenverzekeringen: één voor artiestenvergoedingen en één voor alle overige kosten, zoals productie en voorbereidingen.
De verzekeraars erkennen dat de annulering een gedekte gebeurtenis is onder de polissen, maar doen een beroep op (een analoge toepassing van) onderverzekering ex. art. 7:658 lid 5 BW. De werkelijke artiestenvergoedingen en productiekosten blijken namelijk hoger uit te vallen dan eerder in een begroting was opgenomen. Daarom waren de verzekeraars alleen bereid een evenredig deel van de schade te vergoeden en niet het volledige bedrag.
De rechtbank buigt zich over de vraag of onderverzekering in de zin van art. 7:958 lid 5 BW van toepassing is op evenementenverzekeringen en oordeelt dat niet het geval is. Gelet op de inhoud en systematiek van art. 7:658 BW en de literatuur, geldt het leerstuk van onderverzekering alleen voor verzekeringen waar een gevaarsobject centraal staat. Denk daarbij aan een opstalverzekering of een inboedelverzekering. Een evenementenverzekering, tenminste voor wat betreft de onkostenrubriek, werkt anders. Daarbij gaat het immers niet om de waarde van een object, maar om kosten die afhankelijk zijn van de timing en omstandigheden van annulering. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om art. 7:958 lid 5 BW analoog toe te passen. Het standpunt van verzekeraars dat het verzekerd belang zou zijn beperkt tot vooraf vast te stellen totale onkosten,[2] verwerpt de rechtbank. De omvang van de kosten waarvoor dekking wordt gevraagd, is namelijk pas bij annulering te bepalen. Het verzekerd belang is dus vooraf niet exact vast te leggen en ook niet tot een vast bedrag begrensd. Daardoor leent het concept onderverzekering zich volgens de rechtbank niet voor dit type verzekering. Met die overwegingen wijst de rechtbank het beroep van de verzekeraars op (een analoge toepassing van) onderverzekering ex. art. 7:658 lid 5 BW af. Verzekerde heeft dus recht op de verzekerde som.
Betekenis aanvinken ‘slotbetaling’ in e-ABS: finale kwijting?
Het tweede discussiepunt betreft de vraag of wellicht toch sprake was van finale kwijting. De verzekeraars hadden de assurantietussenpersoon verzocht een schaderekening op te maken en daarbij rekening te houden met onderverzekering. Die schaderekening werd in e‑ABS[3] opgemaakt. Vervolgens had (een deel van) de verzekeraars bij accordering daarvan in e‑ABS een vakje ‘slotbetaling’ eenzijdig aangekruist. De verzekeraars betogen dat dit betekende dat finale kwijting overeengekomen was en dat geen verdere vergoeding onder de polis kon worden verkregen. De rechtbank ziet dit anders. In het verlengde van het standpunt van de verzekeringnemer, oordeelt de rechtbank dat het aanvinken van een vakje in een systeem door de verzekeraars niet als een wilsverklaring van de verzekeringnemer kan worden gezien. Uit niets blijkt dat de verzekeringnemer (al dan niet expliciet) had ingestemd met een betaling tegen finale kwijting en die instemming is wel vereist. Ook mochten de verzekeraars er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat finale afwikkeling overeengekomen was, temeer omdat juist discussie was gevoerd over de toepasselijkheid van het leerstuk van onderverzekering.
Slot
Dit vonnis laat zien dat evenementenverzekeringen een eigen dynamiek hebben. Onderverzekering is daar niet vanzelfsprekend aan de orde. Daarbij geldt in het algemeen dat het afspreken van finale kwijting in beginsel wederzijdse instemming vereist.
[1] Rechtbank Amsterdam 24 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10511.
[2] Daarbij is verwezen naar het arrest Hoge Raad 12 april 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AG4993 (Holland/Korstanje I). Op welke wijze volgens verzekeraars aan dit arrest een argument kan worden ontleend voor de gestelde analoge toepassing van art. 7:958 lid 5 BW blijkt niet concreet uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam.
[3] e-ABS (elektronisch Assurantie Beurs Systeem) is een digitaal platform voor de Nederlandse co-assurantiemarkt.