Schade aan opgeslagen goederen en exoneratieclausules

November 2020

Als een ladingbelanghebbende goederen laat opslaan in een opslagplaats, wil hij doorgaans dat de goederen het magazijn in dezelfde staat verlaten als waarin ze daar zijn geleverd. Als er tijdens de periode van opslag schade ontstaat aan de goederen, ligt het voor de hand om de opslaghouder aansprakelijk te stellen. Dat de opslaghouder zich vervolgens op een aansprakelijkheidsuitsluiting in de tussen partijen geldende overeenkomst beroept, kan dan onrechtvaardig aanvoelen.

De regels omtrent opslag (ook wel ‘bewaarneming’) in het Burgerlijk Wetboek zijn van regelend recht, wat betekent dat partijen andersluidende afspraken kunnen maken. Mede gezien de discrepantie tussen het bewaarloon en de waarde van de opgeslagen goederen, zullen opslaghouders in contracten en algemene voorwaarden[1] vrijwel altijd door middel van een exoneratiebeding aansprakelijkheid voor schade aan opgeslagen goederen uitsluiten.

(On)aanvaardbaarheid van een beroep op aansprakelijkheid beperkende bedingen
De vraag of een beroep op een exoneratieclausule slaagt, kan niet in zijn algemeenheid met “ja” of “nee” worden beantwoord. In bepaalde situaties kan een beroep op een exoneratiebeding onaanvaardbaar zijn, omdat het dan onacceptabel is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW).

De rechtsleer betreffende exoneratiebedingen in de verhouding tussen commerciële partijen, leidt ertoe dat de vraag of een beroep op een in algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding als (on)aanvaardbaar moet worden beschouwd, moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.[2] Onder die omstandigheden neemt de ernst van het verwijt dat aan de partij die zich op het exoneratiebeding beroept (‘de gebruiker’) mag worden gemaakt, een (zeer) belangrijke plaats in. Wanneer het verwijt dat aan die partij gemaakt kan worden de kwalificatie ‘bewust roekeloos’ of ‘grove schuld’ verdient, is het beroep op een exoneratiebeding in beginsel onaanvaardbaar, maar ook dat moet met inachtneming van alle omstandigheden worden beoordeeld. Ook de mate waarop een beding de aansprakelijkheid uitsluit (geheel of gedeeltelijk) kan relevant zijn voor de vraag of een partij daar een beroep op kan doen.[3]

Opzet, (grove) schuld en nalatigheid
Exoneratieclausules zijn er in allerlei soorten en maten. Art. 57 lid 3 van de VOTOB Algemene Voorwaarden voor Tankopslag in Nederland (hierna: ‘VOTOB Voorwaarden’) is een goed voorbeeld van een aansprakelijkheidsbeperking. Deze luidt als volgt:

“Onverminderd het elders in deze algemene voorwaarden bepaalde is het opslagbedrijf niet aansprakelijk voor schade, verlies, vorderingen van derden, boeten en/of kosten, op welke wijze ook ontstaan, tenzij de opdrachtgever bewijst dat die schade, dat verlies, die vorderingen van derden, die boeten en/of kosten veroorzaakt zijn door opzet of grove schuld van het opslagbedrijf zelf of van personeel van het opslagbedrijf dat is belast met de leiding van de uitvoering van de overeenkomst of van de werkzaamheden van het opslagbedrijf.”

Specifiek ter zake een beroep op deze aansprakelijkheidsbeperking in de VOTOB Voorwaarden bestaat er jurisprudentie van het Hof Den Haag waarin is overwogen wanneer sprake is van dergelijke bewuste roekeloosheid/grove schuld:

“Van grove schuld is sprake bij een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld (HR 12 maart 1954, NJ 1955/386, Codam/Merwede), ook wel aan te duiden als bewuste roekeloosheid. Daarvan is onder andere sprake bij het bewust nemen van te grote risico’s (vgl. HR 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524, (S&S 1998/76, Red.) Stein/Driessen). Er kan ook sprake van zijn als bewust wordt nagelaten een duidelijk aanwezig risico te onderzoeken terwijl men op de hoogte was van de potentieel grote gevolgen van de verwezenlijking van dat risico (vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2984, Scaramea/Telfort). Of sprake is van opzet of grove schuld dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.” [4]

Een deel van de jurisprudentie ter zake de aansprakelijkheidsbeperking in de VOTOB Voorwaarden betreft schade waarvan de oorzaak is terug te leiden tot een menselijke fout van niet-leidinggevenden.[5] In die gevallen wordt (vrijwel) altijd een beroep op de aansprakelijkheidsbeperking toegestaan. Er bestaat ook jurisprudentie waarin een beroep op de aansprakelijkheidsbeperking in de VOTOB Voorwaarden niet wordt toegestaan. Daarbij gaat het (kort samengevat) om schade die ontstaan is door gebrekkige procedures/instructies bij de opslaghouder[6] of om gevallen waarin de ‘primaire verbintenis’ is geschonden, bijvoorbeeld waarbij hetgeen in opslag was genomen aan een derde is meegegeven.[7]

Ook de Nederlandse Opslagvoorwaarden van de FENEX bevatten een exoneratiebeding. Volgens art. 19.3 van deze voorwaarden is het opslagbedrijf niet aansprakelijk voor schade, tenzij de opdrachtgever bewijst dat de schade is ontstaan door schuld of nalatigheid van het opslagbedrijf of diens ondergeschikten. Het betreft een minder strikt vereiste dan opzet of grove schuld, zodat het exoneratiebeding eerder van toepassing zal zijn. Het zal dan ook minder snel worden getroffen door een beroep op onaanvaardbaarheid in de zin van art. 6:248 BW.

Overmacht
De hiervoor genoemde exoneratiebedingen sluiten aansprakelijkheid uit, tenzij de opdrachtgever kan bewijzen dat sprake is van een (een bepaalde mate van) schuld of nalatigheid van de opslaghouder. Een heel andere variant op het exoneratiebeding kwam voor in een recente zaak bij de rechtbank Rotterdam.[8] In deze zaak werd schade veroorzaakt aan de opgeslagen goederen als gevolg van een mankement aan een schuimblusinstallatie, die spontaan afging.

In de bewaarnemingsovereenkomst tussen opdrachtgever en bewaarnemer stond dat de bewaarnemer niet aansprakelijk was voor schade veroorzaakt tijdens de ‘warehousing services’ indien er sprake is van overmacht. Van overmacht is sprake indien een tekortkoming niet te wijten is aan de schuld van de bewaarnemer, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt (art. 6:75 BW). Met andere woorden wordt met een beroep op overmacht gesteld dat de schade veroorzaakt door de tekortkoming niet ‘toerekenbaar’ is aan de opslaghouder. Opvallend (en wat ongebruikelijk) is dat de opslaghouder met het exoneratiebeding de bewijslast bij zichzelf legt.

Vermoedelijk was overmacht expliciet in de overeenkomst opgenomen vanwege de risicoaansprakelijkheid voor hulpzaken op grond van art. 6:77 BW. Art. 6:77 BW regelt immers dat het ontstaan van de schade bij een situatie waarin bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik is gemaakt van een (hulp)zaak die daartoe ongeschikt is, ofwel een mankement heeft, in beginsel toerekenbaar is aan de bewaarnemer. Dit is de hoofdregel, waarvan kan worden afgeweken als dit onredelijk is gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval. Deze factoren, waarbij veel waarde wordt gehecht aan de overeenkomst, kunnen meebrengen dat de bewaarnemer voor de door het gebrek ontstane schade niet aansprakelijk is op basis van overmacht.

De opslaghouder diende aan te tonen dat het technisch mankement aan de schuimblusinstallatie door hem niet kon worden voorzien, niet het gevolg was van een gebrek aan zorg bij de aanschaffing, het onderhoud en de controle die aan het systeem werd besteed en ook overigens niet aan zijn schuld te wijten was.[9] Het beroep op overmacht slaagde en de opslaghouder hoefde de schade aan de goederen niet te vergoeden. Sterker nog, de kosten van de opslaghouder voor het re-packen van de als gevolg van het schuimblusincident beschadigde verpakkingen van de goederen van de opdrachtgever mochten door de opslaghouder in rekening worden gebracht.

Conclusie
In zijn algemeenheid kan dus niet worden gezegd dat een beroep op een exoneratiebeding door een opslaghouder is uitgesloten, ook niet als schade is ontstaan door een gebrekkige hulpzaak van de opslaghouder. Omdat de uitkomst van dit soort zaken op basis van de omstandigheden van het geval inclusief de bewoordingen van de overeenkomst kan verschillen, doen partijen er goed aan stil te staan bij de mogelijke gevolgen van een aansprakelijkheidsuitsluiting in een overeenkomst. De opdrachtgever doet er in ieder geval ook goed aan zich te vergewissen of schade tijdens opslag adequaat is verzekerd.

Indien u naar aanleiding van het voorgaande vragen heeft, neemt u dan gerust contact met ons op.

* * * 

[1] Zie over de toepasselijkheid van algemene voorwaarden: link naar artikel SAL.
[2] HR 15 oktober 2004, NJ 2005, 141, r.o. 3.5; HR 18 juni 2005, NJ 2005, 585, r.o. 3.6; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 412, r.o. 3.4. Zie ook HR 21 december 2001, JOR 2002, 45 m.nt. B. Wessels, r.o. 3.4 en HR 11 februari 2000, NJ 2000, 294, r.o. 3.5 en 3.7.
[3] HR 21 december 2001, JOR 2002, 45 m.nt. B. Wessels, r.o. 3.4; HR 11 februari 2000, NJ 2000, 294, r.o. 3.5; HR 12 december 1997, NJ 1998, 208, JOR 1998, 39 m.nt. Kortmann, r.o. 3.6.1.
[4] Hof Den Haag 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1419.
[5] Zie o.a. het bovengenoemde arrest van het Hof Den Haag, maar ook Rechtbank Rotterdam 12 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1609.
[6] Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 25 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:371, Hof Den Haag 8 mei 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BM7512.
[7] Rechtbank Rotterdam 21 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2415.
[8] Rechtbank Rotterdam 8 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3266.
[9] Vgl. HR 5 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6963; parl. gesch. Boek 6 BW, p. 268 e.v. 

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2020 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden