Het belang van exoneraties in scheepsbouwcontracten

December 2022

In de scheepsbouw werkt men veel met standaardcontracten. In die contracten beperkt de werf haar aansprakelijkheid vaak in grote mate of sluit zij deze uit. Wat de gevolgen voor de werf kunnen zijn wanneer een contract wordt gebruikt dat grotendeels in het voordeel is van de opdrachtgever van de werf blijkt uit een recent vonnis van de Rechtbank Rotterdam.[1] Vrijwel alle aspecten die ná oplevering kunnen spelen komen daarin aan bod en dat pakt voor de werf niet goed uit.

De feiten
De zaak betreft een geschil over de bouw van een duwbak, de ‘MarkHardi II’. De bak is bestemd voor gebruik met het koppelverband ‘MarkHardi’. Een opdrachtgever geeft aan de Nederlandse scheepswerf KNB opdracht tot de bouw van deze duwbak. De aanneemsom bedraagt € 920.000. Verder is afgesproken dat de bouw plaats zal vinden op de scheepswerf Malbo, in Polen, waarbij KNB bouwtoezicht zal houden tegen vergoeding van € 25.000. De ‘Markhardi II’ diende op 31 oktober 2016 te worden geleverd.

De bouw van de duwbak loopt vertraging op. Pas op 22 mei 2017 vindt een technische keuring plaats waarbij een Technisches Ubergabe- und Akzeptierungsprotokoll wordt opgesteld. De opdrachtgever voegt daar een lijst bij met 75 punten die nog moeten worden uitgevoerd. Op 15 juni 2017 vindt wederom een technische keuring plaats waarbij 5 klachtpunten worden genoteerd. Tevens vindt op die dag de overdracht en levering van de ‘MarkHardi II’ plaats aan de opdrachtgever.

Nadat de opdrachtgever KNB eerst in de gelegenheid stelt om de resterende gebreken te verhelpen, ontbindt hij het bouwcontract geheel, althans gedeeltelijk. De opdrachtgever laat echter ook een deel van de aanneemsom onbetaald.

Het onbetaalde deel van de aanneemsom wordt door KNB van de opdrachtgever gevorderd. De opdrachtgever brengt daarop een tegenvordering in stelling. Hij vordert ‘afrekening’ door het ‘niet verrichtte werk’ (de 75 punten) af te trekken van de aanneemsom en vervolgens de kosten voor het zelf verhelpen van de (resterende) 75 punten als schade te vorderen. Verder vordert hij een contractuele boete wegens te late oplevering, tijdverlet dat is ontstaan tijdens het verhelpen van de 75 punten, de kosten van het verhelpen van een (verborgen) gebrek aan de laadvloer (inclusief tijdverlet) en expertisekosten.

De hoofverplichtingen bij aanneming van werk
De rechtbank pakt dit geschil systematisch aan. Allereerst stelt zij vast dat de overeenkomst tussen de opdrachtgever en KNB een overeenkomst tot aanneming van werk is en geen koopovereenkomst. Onder een overeenkomst tot aanneming van werk heeft een werf in beginsel twee kernverplichtingen. Dit betreft enerzijds een verplichting tot (conforme) oplevering en anderzijds een verplichting om de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen.

Op grond van de bouwovereenkomst (en artikel 7:750 BW) was KNB verplicht het casco volgens de overeengekomen specificaties te bouwen, terwijl de opdrachtgever verplicht was de daarvoor overeengekomen prijs te betalen.

Uit de bouwovereenkomst volgt dat de (volledige) aanneemsom verschuldigd is ná oplevering. De rechtbank kwalificeert de levering die op 15 juni 2017 plaatsvond als de oplevering van het werk. De 5 punten betreffen erkende opleveringsgebreken, de 75 punten zijn door de opdrachtgever aangegeven opleveringsgebreken. Met de oplevering is het aangenomen werk onder de overeenkomst in wezen verricht en voltooid, zij het dat op KNB nog een verplichting rustte om de opleveringsgebreken te herstellen. Daarmee is de aanneemsom (€ 920.000 + € 25.000) verdiend. Er is geen grond om het ‘niet verrichtte werk’ in mindering te brengen op de aanneemsom.

Ontbinding en schadevergoeding
De door de opdrachtgever gedane ontbinding treft daarmee alleen de herstelverplichtingen en niet de gehele bouwovereenkomst. Het betreft een gedeeltelijke (partiële) ontbinding. De opdrachtgever heeft daarom recht op schadevergoeding die eruit bestaat dat hij de 75 punten zelf heeft hersteld en daarvoor kosten heeft moeten maken. Op basis van een rapportage van een deskundige begroot de rechtbank die schade op € 236.928 en wijst dat bedrag toe.

Vertraging
De contractuele boete wegens te late oplevering (€ 27.600) wordt eveneens toegewezen. KNB brengt tegen de late oplevering nog in dat die aan de opdrachtgever te wijten zou zijn geweest, maar de juistheid van die stelling komt niet vast te staan. Vervolgens wordt ook het tijdverlet, € 188.394, dat is ontstaan tijdens de poging tot het verhelpen van de 75 punten, toegewezen. KNB betoogt dat dit soort verlet-/vertragingsschade beperkt zou zijn tot de contractuele boete, maar dat staat niet in het bouwcontract. Standaardcontracten sluiten de aansprakelijkheid voor dit soort verlet-/vertragingsschade vaak wel uit.

Verborgen gebreken en waarschuwingsplicht
De ‘MarkHardi II’ is op enig moment in gebruik genomen en daarna, in april 2018, is scheurvorming in de laadvloer opgemerkt.

Ná oplevering is het werk (‘MarkHardi II’) voor risico van de opdrachtgever. De werf (KNB) is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. De opdrachtgever heeft recht op herstel van gebreken waarvoor de werf aansprakelijk is. De gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, die zijn toe te schrijven aan gebreken of ongeschiktheid van materialen of hulpmiddelen komen voor rekening en risico van de partij van wie deze materialen of hulpmiddelen afkomstig zijn: de opdrachtgever of de aannemer.

KNB betoogt dat de gebreken in de laadvloer een gevolg zijn van specifieke instructies die de opdrachtgever zou hebben gegeven. Hier komt de waarschuwingsplicht van de werf echter om de hoek. De werf had, naar oordeel van de rechtbank, de opdrachtgever moeten waarschuwen dat die instructies, in combinatie met het gebruikte materiaal, het risico van scheurvorming met zich meebrachten. De rechtbank kwalificeert de scheurvorming daarom als ‘verborgen gebrek’, waarvoor de werf in beginsel aansprakelijk is. De herstelkosten, € 192.591, en het tijdverlet tijdens die reparatie, € 55.219, worden eveneens toegewezen. Ook hier is in het bouwcontract wederom geen beperking of uitsluiting opgenomen.

Expertisekosten
De opdrachtgever heeft zich ten aanzien van de opleveringsgebreken en het verborgen gebrek laten bijstaan door deskundigen. Op grond van art. 6:96 lid 2 BW komen die kosten voor vergoeding in aanmerking. Het bouwcontract voorziet evenmin in een beperking of uitsluiting voor die schade.

Conclusie
Vermeerderd met diverse proceskosten wordt ten gunste van de opdrachtgever van de werf in totaal € 803.466 toegewezen. Dat bedrag is nauwelijks lager is dan de aanneemsom. Netto komt dat erop neer dat de ‘MarkHardi II’ dus (vrijwel) voor niets in juni 2017 is geleverd. Dit vonnis van de Rechtbank Rotterdam maakt het belang van een scheepswerf bij een contract waarin haar aansprakelijkheid wordt beperkt of uitgesloten dan ook op pijnlijke wijze duidelijk. Partijen doen er daarom verstandig aan om zich tijdig te laten adviseren bij het sluiten van scheepsbouwcontracten en daarbij ook aandacht te besteden aan de periode na oplevering van het schip.

* * *

[1] Rechtbank Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6889

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2024 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden