Invoer en opvolgende transacties

Maart 2021

In het vorige artikel uit deze reeks (“Ontwikkelingen BTW bij invoer”) is het arrest ‘Federal Express’ aan bod gekomen, waarbij wordt afgeweken van de hoofdregel: de BTW-schuld volgt de douaneschuld. In dit artikel behandelen wij twee arresten over de BTW bij invoer waarbij onregelmatigheden waren gepleegd door de ontvangers van de opvolgende intracommunautaire overbrenging. Is dan de vrijstelling wel of niet van toepassing? Zeker in het kader van e-commerce is dat een belangrijke vraag. Veel afhandelaars leveren via Nederland zendingen door naar andere EU-lidstaten en dragen dan in Nederland de BTW niet af. Deze wordt dan immers in de EU-lidstaat van de afnemer aangegeven als een intracommunautaire verwerving.[1]

Het arrest Ježovnik

In de procedure Ježovnik[2] stond de vraag centraal of het niet voldoen aan materiële voorwaarden betekent dat de BTW-vrijstelling kan worden geweigerd. Ježovnik hield zich bezig met de invoer en distributie van bananen. In deze zaak ging het over de invoer van bananen afkomstig uit derde landen die werden ingevoerd in Slovenië. De bananen werden weliswaar in het vrije verkeer gebracht, maar omdat de goederen naar een andere EU-lidstaat gingen, werd de BTW vrijgesteld. Voor de BTW-vrijstelling was het nodig om aan te tonen dat de bananen naar een andere EU-lidstaat werden vervoerd. Daarom overlegde Ježovnik gebruiksverklaringen en eindbestemmingsverklaringen met een stempel van de in de aangifte vermelde ontvangers van de goederen. De bananen waren namelijk al verkocht aan kopers in Roemenië. De Douane verleende na controle van de verklaringen dan ook de BTW-vrijstelling.

De Douane van Slovenië stelde achteraf nog een controle in waaruit bleek dat niet aan alle voorwaarden voor de BTW-vrijstelling was voldaan. Naast het feit dat onregelmatigheden met de vervoersdocumentatie werd geconstateerd, bleek dat verscheidende Roemeense kopers uit het BTW-register waren geschrapt. Uit informatie van Roemeense belastingautoriteiten bleek dat bepaalde Roemeense kopers ‘missing traders’ waren die niet op het geregistreerde adres actief waren. Ook werd de echtheid van de handtekeningen op de vervoersdocumenten betwist en het bestaan van enige band met de kopers ontkend.

Na het onderzoek stelde de Douane van Slovenië dat Ježovnik niet heeft aangetoond dat de bananen in kwestie daadwerkelijk het Sloveense grondgebied hebben verlaten en aan de in de aangifte vermelde afnemers waren geleverd. Ook stelde de Douane dat Ježovnik onzorgvuldig was geweest en had nagelaten basiscontroles met betrekking tot de kopers uit te voeren en aanwijzingen van BTW-fraude had genegeerd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) moest antwoord geven op de vraag of Ježovnik de BTW-vrijstelling mocht toepassen nu achteraf niet werd voldaan aan de materiële voorwaarden voor de vrijstelling. Dit terwijl in eerste instantie, op grond van een voorafgaande controle van de aangedragen bewijzen door de Douane, de vrijstelling wel was verleend. Het HvJ oordeelt dat de Douane niet meer kan terugkomen op zijn eerdere standpunt. Daarvoor is noodzakelijk dat Ježovnik te goeder trouw heeft gehandeld en – binnen de grenzen van wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd – alles in het werk heeft gesteld om elke betrokkenheid bij belastingfraude te voorkomen.

Uit dit arrest volgt dat een beroep op een vrijstelling van BTW bij invoer niet zomaar mag worden geweigerd. Daarbij speelt niet zozeer de douaneschuld een rol, maar meer de vrijstelling na de invoer. Ofwel in Nederland de toepassing van artikel 21 onderdeel d Wet Omzetbelasting.

Het arrest Vetsch

Het arrest Vetsch[3] betreft een geding tussen de Oostenrijkse belastingautoriteiten en een Oostenrijkse vervoersonderneming, Vetsch. De vraag was of de vrijstelling van de BTW bij invoer voor goederen afkomstig uit Zwitserland in Oostenrijk kon worden toegepast met het oog op de overbrenging ervan naar Bulgarije. Vetsch trad op als indirecte vertegenwoordiger voor Bulgaarse afnemers. Later bleek dat de Bulgaarse afnemers – in een later stadium van de logistieke keten – fraude pleegden. Daarom werd Vetsch geacht hoofdelijk aansprakelijk te zijn als schuldenaar van de BTW bij invoer. Het HvJ diende in het bijzonder te oordelen of fraude in een latere schakel van invloed kon zijn op de toepassing van de BTW-vrijstelling. 

Het HvJ oordeelt in dit kader ten eerste dat de invoer waarop een intracommunautaire overbrenging volgt en de levering ten aanzien waarvan fraude is gepleegd, worden beschouwd als handelingen die losstaan van elkaar. Vervolgens oordeelt het HvJ dat de vrijstelling van BTW bij invoer niet mag worden ontzegd aan Vetsch. Het is namelijk de Bulgaarse afnemer die in een later stadium fraude pleegt. Daarnaast is ook niet gebleken dat Vetsch wist of behoorde te weten dat er sprake was van fraude. Vetsch was dan ook geen schuldenaar voor de BTW.

Uit dit arrest blijkt dat bij het toepassen van de vrijstelling van BTW bij invoer, waarbij de BTW in een latere schakel niet op rechtmatige wijze wordt aangegeven, de aangever (bij invoer) die de BTW vrijstelling toepast, niet aansprakelijk kan worden gehouden voor een later door een ander gepleegde fraude.

Conclusies uit de arresten

Naar aanleiding van de drie arresten behandeld in deze reeks (“Ontwikkelingen BTW bij invoer”) is eens te meer duidelijk dat de ‘BTW-soep’ niet zo heet wordt gegeten als de ‘douane-soep’. De Douane en BTW-regels zijn niet, zo blijkt uit deze arresten, ‘één-op-één’ toepasbaar. De aangever (bij invoer) moet goede zorg betrachten en fraude met BTW proberen te voorkomen. Maar, hij is als titularis of aangever zeker niet automatisch aansprakelijk voor de BTW bij invoer als er een douaneschuld ontstaat. Dat is een belangrijke koerswijziging ten opzichte van de zienswijze die de Nederlandse Douane tot voor kort erop nahield.

Ondanks het feit dat het HvJ in meerdere procedures heeft gewezen op de verschillen tussen de invoerrechten en de BTW, zien we in de praktijk dat de Belastingdienst en Douane zich niet in alle gevallen veel gelegen laten liggen aan deze jurisprudentie. Hoewel een harde aanpak in de strijd om BTW-fraude begrijpelijk is, is er weinig begrip op te brengen voor het feit dat de autoriteiten doen alsof deze – hun minder welgevallige – jurisprudentie niet bestaat. Het is dan ook van belang dat bij de heffing van BTW bij invoer – zeker als die niet in mindering of in aftrek kan worden gebracht – kritisch wordt vastgesteld of de BTW-schuld wel terecht wordt geheven.

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Customs Knowledge helpt u graag.

* * *

[1] Ervan uitgaand dat er geen sprake is van een zogenaamde afstandsverkoop.
[2] HvJ EU 25 oktober 2018, C-528/17, ECLI:EU:C:2018:868 (Ježovnik).
[3] HvJ EU 14 februari 2019, C-531/17, ECLI:EU:C:2019:114 (Vetsch).

Onze specialismes

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden