Zo ver weg, maar toch dichtbij; letsel aan boord

December 2020

Waar gehakt wordt, vallen spaanders; waar mensen aan het werk zijn, is kans op letsel. Zo ook in de wereld van de offshore business. Gelet op het vaak internationale karakter van de offshore, zal allereerst moeten worden beoordeeld welk recht van toepassing is. Wanneer Nederlands recht geldt, is de vraag of de ver strekkende zorgplicht van de werkgeversaansprakelijkheid van toepassing is en hoe die wordt ingekleurd. Bij die laatste toets spelen de specifieke regels zoals die gelden in de branche een belangrijke rol. In deze blog zet Ronna Rutten deze route uiteen aan de hand van het arrest van het Hof Den Haag d.d. 7 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:795.

De achtergrond
Een Amerikaans bemanningslid afkomstig uit Texas heeft in 2015/2016 offshore werkzaamheden aan boord van een Maltees onderzoeksschip van RSOS verricht. De thuisbasis van het schip is de Eemshaven in Groningen. Ten aanzien van de werkzaamheden is aan het Texaans bemanningslid slechts een conceptovereenkomst toegestuurd. Tijdens de werkzaamheden heeft RSDC zijn facturen betaald. Op 28 mei 2016 heeft de Texaan zich ziekgemeld. Een huisarts in de Eemshaven stelt op 30 mei 2016 vast dat de Texaan een bacterie heeft. Negen dagen later, op 8 juni 2016 is de Texaan – naar eigen zeggen tijdens het hoesten - uitgegleden van een trap aan boord van het schip. Als gevolg van de val is enkele dagen later een enkelfractuur geconstateerd en heeft hij gips gekregen.

Voor de schadelijke gevolgen spreekt het Texaanse bemanningslid in eerste aanleg RSOS en RSDC aan. In hoger beroep richt de Texaan zijn pijlen alleen nog op RSDC. In de procedure voor het Hof Den Haag gaat het om de vraag of Nederlands recht van toepassing is en of RSDC als werkgever aansprakelijk is.

Nederlands recht van toepassing
De discussie ten aanzien van het toepasselijke recht spitst zich toe op de vraag hoe het contract tussen de Texaan en RSDC moet worden gekwalificeerd. Daarbij is van belang dat het begrip “arbeidsovereenkomst” niet wordt gedefinieerd in de Europese Rome I Verordening, die regels geeft om het toepasselijk recht op overeenkomsten vast te stellen. Omdat het de uitleg van een Europese regeling betreft moet autonoom worden vastgesteld of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat puur nationale criteria van de lex fori niet leidend zijn. Het Europese Hof van Justitie heeft in 1986 (HvJ EU 3 juli 1986, C-66/85 (Lawrie-Blum)) geoordeeld dat het voor een ander, en onder diens gezag, leveren van een presentatie met een bepaalde economische waarde tegen een bepaalde vergoeding, de arbeidsverhouding hoofdzakelijk kenmerkt. Die uitleg acht het hof eveneens van belang voor de reikwijdte van de Rome I Verordening. Het hof komt tot de conclusie dat hier sprake is van het verrichten van werkzaamheden met een economische waarde tegen een vergoeding en daarnaast van een gezagsverhouding. De overeenkomst kwalificeert dan ook als arbeidsovereenkomst in de zin van art. 8 Rome I.

Conform art. 8 lid 2 Rome I komt het hof dan uit bij toepasselijkheid van het Nederlandse recht, omdat de Texaan zijn werk gewoonlijk vanuit Nederland verricht. Het schip vertrok telkens uit de Eemshaven en meerde daar ook iedere keer weer aan; het Texaanse bemanningslid moest zich daar ook voor elk project melden; hij kreeg daar bovendien zijn instructies/trainingen en tot slot werden daar de materialen ten behoeve van de werkzaamheden opgeslagen. Nederland vormde de thuisbasis van waaruit de werkzaamheden aanvingen.

De omstandigheden dat de voertaal Engels is, de Texaan de Amerikaanse nationaliteit bezit, aldaar een bankrekening heeft en zijn woonplaats in Texas is, worden door het hof als onvoldoende bevonden om een nauwere band met de Verenigde de Staten of Texas aan te nemen (art. 8 lid 4 Rome I). De offshore branche kenmerkt zich doordat werkzaamheden op een schip overal ter wereld worden uitgevoerd. Tot slot wordt de stelling van de Texaan dat hij zijn werkzaamheden voor een groot deel vanuit Texas zou verrichten als onvoldoende onderbouwd beschouwd.

Werkgeversaansprakelijkheid
Ook naar Nederlands materieel recht moet de overeenkomst worden gekwalificeerd. Daarvoor moet sprake zijn van persoonlijke arbeid, loon gedurende zekere tijd en een gezagsverhouding. Op grond van de inhoud van de conceptovereenkomst en de wijze waarop daar uitvoering aan werd gegeven kwalificeert de overeenkomst volgens het hof niet als arbeidsovereenkomst. De overeenkomst is te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW).

Desalniettemin heeft RSDC via art. 7:658 lid 4 BW alsnog te gelden als een werkgever. Voor aansprakelijkheid van de werkgever dient de werknemer enkel aan te tonen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dit zal doorgaans bij een ongeval tijdens de werkzaamheden gemakkelijk kunnen worden aangetoond. Een werkgever ontkomt vervolgens slechts aan aansprakelijkheid wanneer (1) wordt aangetoond dat de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht (art. 7:658 lid 2 BW), dan wel (2) sprake is van bewuste roekeloosheid of opzet van de werknemer. Van die laatste categorie is zelden sprake.

Bij de beoordeling of een werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht ter voorkoming van het ingetreden incident komt het neer op een feitelijke invulling aan de hand van de omstandigheden van het geval. Om die reden is het van belang in een vrij vroeg stadium de feiten omtrent het incident te verzamelen (een incidentenrapport, een RI&E-rapport, getuigen, etc.). Dit is ook noodzakelijk wanneer een werkgever nog niet formeel aansprakelijk is gesteld.

Voornoemde zorgplicht gaat alleen niet zo ver dat voor alledaagse activiteiten moet worden gewaarschuwd. In de onderhavige kwestie is vastgesteld dat de trap waar het bemanningslid vanaf is gevallen aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldeed. Het Texaanse bemanningslid is misgestapt toen hij tijdens een hoestbui de trap afwandelde. Deze situatie werd door het hof aangemerkt als een alledaagse activiteit. Van RSDC kon niet worden verwacht dat zij ten aanzien van dit risico extra maatregelen zou nemen. 

Eventueel kunnen andere specifieke regels en omgangsnormen uit de branche nog leiden tot aansprakelijkheid. Hier vormde een discussiepunt de vraag of RSDC de werknemer wel aan boord had mogen laten nu bij hem een besmettelijke ziekte was vastgesteld en hij “unfit for work” was bevonden. Dat is echter geen reden hem de toegang te weigeren. Daarnaast wordt door de Texaan gewezen op het feit dat zeevarenden recht hebben op repatriëring bij ziekte. Daaruit kan echter geen op RSDC rustende plicht worden afgeleid. Bovendien is repatriëring bij de Texaan niet door de huisarts geadviseerd. Ook verwijt het bemanningslid RSDC dat de gezondheid van zeevarenden aan boord moet worden gewaarborgd en op haar de daaruit voortvloeiende verplichting rust om zieke zeevarenden geen werkzaamheden te laten verrichten (iets wat Texaan ten tijde van het incident op eigen initiatief wel deed). Echter, in deze omstandigheden was RSDC niet verplicht om het Texaanse bemanningslid beter te verklaren alvorens hij weer aan het werk ging. Het hof oordeelt dat RSDC niet aansprakelijk is.

Slotopmerking
Deze zaak laat zien dat er bij een in beginsel overzichtelijk lijkende zaak, veel verschillende vragen opkomen. Voor de beantwoording van die vragen is specialistische kennis nodig. Om een letselschadezaak als deze goed te kunnen behandelen moet kennis in huis zijn van de (shipping) branche, het internationaal recht en uiteraard het materiële Nederlandse recht. Bij Van Traa hebben wij die kennis in huis en wij staan cliënten daarin ook graag bij. Heeft u vragen over een letselschade kwestie aan boord van een schip/platform/in een haven? Neem gerust contact met ons op.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden