Wie houdt er toezicht op het Hoofd Toezicht en Veiligheid?

Januari 2021

Het regime van werkgeversaansprakelijkheid is in Nederland buitengewoon strikt. Aan de zorgplicht van de werkgever om te zorgen voor een veilige werkomgeving, worden (terecht) hoge eisen gesteld. De reikwijdte van die zorgplicht is echter niet onbeperkt. De wetgever heeft niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Dit geldt ook ten aanzien van werknemers voor wie de aard van de uit te voeren werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen met zich brengt. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht ligt de lat echter hoog. Artikel 7:658 BW vergt een hoog veiligheidsniveau en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.

In een recent arrest van het Hof Den Bosch van 13 oktober 2020 is voornoemde, vergaande reikwijdte van de zorgplicht van de werkgever nog eens bevestigd. Dit arrest is interessant omdat het de nodige gelijkenissen vertoont met het Dusarduyn/Du Puy-arrest van de Hoge Raad uit 2003, terwijl de uitkomst diametraal anders is.

De vraag is of op basis hiervan geconcludeerd kan worden dat in de jurisprudentie een andere koers wordt gevaren in die zin dat in 2020 de zorgplicht van de werkgever anders wordt ingevuld dan in 2003 door de Hoge Raad werd aangenomen. Alhoewel in iedere specifieke kwestie de omstandigheden van het geval de uitkomst kleuren, meen ik dat in zijn algemeenheid inderdaad gezegd kan worden dat de lijn Dusarduyn/ Du Puy is verlaten.

Casus Hof Den Bosch
Wat speelde er in het recente arrest van het Hof Den Bosch? Een ervaren projectleider/ uitvoerder die binnen de vennootschap belast was met het toezicht op de naleving van de veiligheidsregels, was zelf door het dak gevallen en als gevolg daarvan komen te overlijden. De weduwe wenste haar schade vergoed te zien. Doordat de werkgever-vennootschap de premie voor de aansprakelijkheidsverzekering (AVB) niet had voldaan ontbrak verzekeringdekking. Omdat de vennootschap ook nog eens failliet was gegaan en dus geen verhaal bood voor de schade, had de weduwe zich tot de bestuurder van de vennootschap in privé gewend. De kwestie raakt dus zowel het terrein van werkgeversaansprakelijkheid, als het speelveld van bestuurdersaansprakelijkheid. In deze bijdrage richt ik mij voornamelijk op het onderwerp werkgeversaansprakelijkheid.

De vraag die het Hof ten aanzien van de gestelde werkgeversaansprakelijkheid diende te beantwoorden, was of de werkgever al dan niet had voldaan aan haar zorgplicht. Bijzonder in deze kwestie was dat juist degene die moest toezien op de veilige uitvoering van de projecten door de werknemers, zelf het slachtoffer was geworden. De vraag rijst dan of van de werkgever ook moet worden verwacht dat er iemand toezicht houdt op de wijze waarop een Hoofd Toezicht en Veiligheid zijn werkzaamheden uitvoert. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

De enkele aanstelling van een Hoofd Toezicht maakt niet (reeds) dat aan een werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever dient tevens die maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven die nodig zijn om ook het Hoofd Toezicht ertoe te brengen de zorg voor zijn eigen veiligheid in acht te nemen. Naar de mening van het Hof was hier niet aan voldaan, onder andere niet omdat betrokkene niet alleen de taak van veiligheidsfunctionaris had, maar tevens en vooral bedrijfseconomische taken diende te verrichten waarin – aldus het Hof – het gevaar schuilt dat de veiligheid daaraan ondergeschikt wordt gemaakt.

De reikwijdte van de zorgplicht wordt tevens ingekleurd door de aard van de uit te voeren werkzaamheden. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat hoe risicovoller de werkzaamheden, hoe verdergaand de zorgplicht reikt.

In deze kwestie werd gewerkt op een hoogte van 6 meter waarbij oude dakplaten werden vervangen Dit op zichzelf leidt, volgens het Hof, al tot een gevaarlijke situatie waarvoor van de werkgever nadere voorzorgs¬maatregelen mogen worden verwacht.

Vangnetten en randbeveiliging waren in verband met de inrichting van het pand en het dak niet mogelijk. Van tevoren was besloten een ander veiligheidssysteem te hanteren (non-shute). De medewerkers pasten dit in de praktijk echter niet toe. Het Hoofd Toezicht evenmin. Uit onderzoek van de Inspectie SZW was naar voren gekomen dat er niet over de aan deze specifieke klus verbonden risico’s was gewaarschuwd. Dit wordt de werkgever zwaar aangerekend.

Dat het Hoofd Toezicht 25 jaar ervaring had, acht het Hof van onvoldoende gewicht in vergelijking met de overige omstandigheden van het geval. Sterker nog, dit wordt zelfs enigszins in het nadeel van de werkgever uitgelegd nu het Hof benadrukt dat het dagelijks werken in een (gevaarlijke) omgeving er veelal toe leidt dat medewerkers onzorgvuldig(er) worden in de uitvoering van hun werkzaamheden. Dit zou dus juist nopen tot extra (herhaling van) veiligheids¬waarschuwingen en controle daarop.

Dusarduyn/ Du Puy
In het Dusarduyn/ Du Puy-arrest was een medewerker door een, met folie afgedekte, lichtkoepel in het dak gezakt. Weliswaar had deze medewerker niet de functie van Hoofd Veiligheid, wel was sprake van een (zeer) ervaren kracht die beschikte over relevante veiligheidsdiploma’s. De Hoge Raad kende aan deze werkervaring inclusief bewezen vaardigheden grote waarde toe, als ook aan de aard van de uit te voeren werkzaamheden. Ook nam de Hoge Raad in zijn beoordeling mee dat de werkgever er niet mee bekend was dat er ook andere (medewerkers van andere) bedrijven op/aan het dak werkzaamheden verrichtten, terwijl Dusarduyn nu juist door een gat was gezakt dat door een medewerker van een ander bedrijf was gezaagd. Alles afwegende oordeelde de Hoge Raad tot afwezigheid van aansprakelijkheid.

Conclusie
Mede aan de hand van het arrest van het Hof Den Bosch meen ik dat de uitkomst in Dusarduyn/ Du Puy nu anders zou indien deze (of een soortgelijke) kwestie aan de Hoge Raad zou worden voorgelegd. Opleiding en ervaring zijn (nog altijd) aspecten die meewegen in de beoordeling welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verwacht. Aan de aard van de uit te voeren werkzaamheden komt echter groter gewicht toe. Indien die werkzaamheden op zichzelf al een risico op letsel in zich hebben, gaat de lat voor de zorgplicht van hoog naar (nog) hoger. Werken op hoogte is zo’n geval, evenals werken met gevaarlijke machines. De Hoge Raad (en in navolging daarvan ook lagere rechtspraak) heeft bij werken met gevaarlijke machines mede betrokken de algemene ervaringsregel dat werknemers die dagelijks in gevaarlijke situaties werken niet steeds de vereiste voorzichtigheid in acht nemen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 11 november 2005, JAR 2005/287 Bayar/ Wijnen). Deze algemene ervaringsregel wordt door het Hof Den Bosch nu ook toegepast op werken op hoogte.

Anders dan bij huis-, tuin- en keukenongevallen is het op zich niet onlogisch dat de werkgever op dient te komen voor het letsel dat zich gemanifesteerd heeft na een incident dat zich heeft voorgedaan in de uitvoering van werkzaamheden, die een inherent risico op letsel kennen. Dat een onderneming iemand aanwijst die verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de werkzaamheden maakt niet dat daarmee aan de zorgplicht is voldaan. Ook dit Hoofd Toezicht en Veiligheid dient periodiek te worden gewezen op de gevaren die verbonden zijn uit de uitvoering van de werkzaamheden en te nemen veiligheidsmaat¬regelen. Bovendien dient ook hier toezicht op te worden gehouden. Uit het arrest van het Hof Den Bosch volgt maar weer eens dat dit beter te vaak dan te weinig kan gebeuren. Werkgever, u bent gewaarschuwd.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden