The Love Boat en meevarende ‘passagiers’

Wie herinnert zich ‘The Love Boat’ niet? Passagiers en bemanning beleefden in deze Amerikaanse televisieserie romantische en soms melodramatische avonturen, steeds onder het wakend oog van kapitein Merrill Stubing. De opnames vonden deels plaats aan boord van het cruiseschip de “Pacific Princess”. Luchtige fictie, maar wel fictie die kwalificatievragen oproept in het geval één van de acteurs of leden van de televisiecrew aan boord letsel oploopt tijdens de opnames. Als iemand meereist en tegelijk iets ‘doet’ aan boord, zoals acteren, filmen, fotograferen, ondersteunen, is dat dan werk, of is diegene ‘gewoon’ passagier? 

Precies die vraag stond centraal in een zaak over een ongeval aan boord van een zeilschip in de Cariben waarin de Hoge Raad recent arrest gewezen heeft. [1] Het antwoord heeft praktische betekenis voor iedereen die werkt met meezeilreizen, chartervaart of passagiers die ‘meewerken’ aan boord. 

De zaak in het kort
Een schipper met een kleinschalige eenmanszaak organiseert meezeilreizen en vaart zelf als schipper. Een van de deelnemers is een vrouw die in ruil voor de reis een promotiefilmpje zou maken. Het filmen was niet professioneel: eerdere filmpjes waren eenvoudige smartphone‑opnames van de schipper zelf. De afspraak was dan ook vooral: meedoen met de zeilreis.

Tijdens een tocht nabij Sint Maarten zitten de schipper en de vrouw samen op het voordek. De zee is rustig. Dan verschijnt plotseling een reeks uitzonderlijk hoge golven. Het schip klapt meerdere keren hard neer in het dal van de golven. Bij de derde klap voelt de vrouw ’iets knappen’ in haar rug. In het ziekenhuis blijkt dat zij een traumatische dwarslaesie heeft opgelopen. Zij stelt de schipper aansprakelijk en voert aan dat zij werkzaamheden verrichtte (promotiefilm), waarmee art. 7:658 lid 4 BW (werkgeversaansprakelijkheid voor niet‑werknemers) zou gelden. De schipper betwist dat en stelt dat sprake was van personenvervoer over zee (art. 8:500 BW). 

Arbeidsrelatie of personenvervoer?
Het verschil tussen beide regimes is aanzienlijk. Bij art. 7:658 lid 4 BW draait het allereerst om de vraag of iemand zich in een positie bevindt die vergelijkbaar is met die van een werknemer. Als dat aannemelijk is, hoeft de betrokkene alleen nog te bewijzen dat het letsel is ontstaan tijdens de werkzaamheden. Daarna verschuift de bewijslast: de werkgever moet aantonen dat hij zijn zorgplicht volledig heeft nageleefd. Lukt dat niet dan volgt aansprakelijkheid, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De werkgever is evenmin aansprakelijk bij het ontbreken van een causaal verband tussen de opgelopen schade en het niet voldoen aan die zorgplicht.

Bij personenvervoer ligt dat precies andersom. Op grond van art. 8:504 lid 5 BW moet de passagier in dit geval aantonen dat de schade het gevolg is van schuld of nalatigheid van de vervoerder. Dat is een zwaardere opgave, zeker wanneer geen sprake is van een ‘scheepvaartincident’ [2] in de zin van de wet, zoals in dit geval (de vrouw zat op het voordek). 
In geval van een scheepvaartincident is er sprake van risicoaansprakelijkheid van de vervoerder.

Het grootste verschil tussen werkgeversaansprakelijkheid en vervoerdersaansprakelijkheid zit echter in de omvang van de aansprakelijkheid. 
Werkgeversaansprakelijkheid kent geen limiet. Bij personenvervoer geldt wél een beperking. 
Bij risicoaansprakelijkheid van de vervoerder is die limiet vastgelegd in het Verdrag van Athene 2002 en bedraagt SDR 250.000 (ca. EUR 290.000). Bij schuldaansprakelijkheid van de vervoerder (te bewijzen door de passagier) is de limiet SDR 400.000 (ca. EUR 464.000).

Oordeel rechtbank en het hof: personenvervoer
De rechtbank oordeelt dat het filmen niet behoort tot de bedrijfsactiviteiten van de schipper en dat geen sprake is van een arbeidsverhouding of opdracht. De vrouw reisde mee als passagier, waarbij haar filmwerk slechts een wederdienst vormde. [3]

Het Hof Amsterdam sluit zich daarbij aan. [4] Het hof benadrukt dat de vrouw graag eens mee wilde op een zeilreis en dat de promotiefilm niet de kern van de afspraak was. Er was geen ondergeschiktheid, geen professionele mediaproductie en er waren geen formele instructies. Daarom geldt art. 7:658 lid 4 BW niet. De overeenkomst is en blijft een overeenkomst van personenvervoer over zee.

Daar komt bij dat het hof geen schuld of nalatigheid van de schipper ziet. De zee was voorafgaand aan het incident rustig en de hoge golven kwamen plotseling opzetten. Dat past volgens het hof niet bij het fenomeen ground swell. Ook het varen op autopilot was in deze omstandigheden niet onzorgvuldig; zelfs bij handmatig sturen zou de schipper recht door de golven hebben moeten varen, omdat draaien gevaarlijker is. Het verwijt dat hij onvoldoende instructies gaf, vindt het hof te algemeen.

De Hoge Raad: personenvervoer, geen arbeidsrelatie, geen opdracht
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Volgens de Hoge Raad mocht het hof oordelen dat het filmen slechts een wederdienst was en dat de kern van de overeenkomst het vervoer bleef. Daarmee is geen sprake van een opdracht of gemengde overeenkomst.  

Wat dit betekent voor de maritieme praktijk?
Uit dit arrest volgt dat wanneer iemand meevaart en tegelijkertijd iets doet aan boord, zoals content maken, kleine hand  en spandiensten verrichten en helpen bij activiteiten, dit niet snel wordt aangemerkt als een opdracht of arbeidsrelatie. De hoofdprestatie blijft doorgaans het vervoer. Dat betekent dat het vervoerrecht leidend is met al haar particulariteiten, zoals de beperking van aansprakelijkheid.

Tot slot
In ‘The Love Boat’ werd de grens tussen passagier en bemanning vooral bepaald door het script. In het echte recht is dat minder flexibel. Deze uitspraak maakt duidelijk dat een passagier die tijdens de reis wat extra’s doet, niet zomaar in de categorie “werkend aan boord” valt. 

Wilt u sparren over personenvervoerovereenkomsten of aansprakelijkheid bij personenvervoer over zee? Neem gerust contact op met Nol van Hal of Ronna Rutten.



[1]  Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57.

[2] Scheepvaartincident: Schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord of defect aan het schip (art. 8:504 lid 1a BW).

[4] Hof Amsterdam 9 juli 2024, S&S 2025/47.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2026 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden