Sea waybills en de positie van de consignee

April 2020

In het vervoer van goederen over zee kiezen partijen tegenwoordig steeds vaker voor een sea waybill (zeevrachtbrief), in plaats van een bill of lading (cognossement). Partijen zullen zich niet altijd realiseren dat met de keuze voor een sea waybill, in plaats van een cognossement, de rechtspositie van de consignee (geadresseerde) verandert. In de praktijk blijkt dat over de positie van de geadresseerde onder een sea waybill veel onduidelijkheid bestaat. Heeft de geadresseerde recht op aflevering? En zo ja, is hij wanneer hij om aflevering heeft verzocht dan ook, net als bij het vervoer onder cognossement, gebonden aan de algemene voorwaarden die op de sea waybill van toepassing worden verklaard? Over die laatste vraag heeft het Hof Den Haag[1] recent arrest gewezen.

Waardepapieren
Een cognossement is een waardepapier en neemt mede daardoor in de internationale handel een centrale rol in. Uitsluitend de recht- en regelmatig houder van het (originele) cognossement heeft recht op aflevering van de vervoerde goederen van de vervoerder onder bill of lading. Onder meer bij het documentair krediet (‘Letter of Credit’ of ‘L/C’) en het betalingsbeding ‘Cash Against Documents’ (CAD) speelt het cognossement daarom een belangrijke rol.

Het Nederlandse Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bevat dan ook een groot aantal wettelijke bepalingen die de waardepapierfunctie van het cognossement betreffen. Een sea waybill is echter geen waardepapier. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop een geadresseerde onder een sea waybill aan de algemene vervoervoorwaarden gebonden is.

Gebondenheid van de geadresseerde aan bill of lading voorwaarden
Voor vervoer onder cognossement bepaalt art. 8:441 lid 2 BW dat de vervoerder tegenover een ‘derde cognossementshouder’, dat wil zeggen een ander dan de contractuele wederpartij van de vervoerder of afzender, gehouden is aan en een beroep kan doen op de bedingen van het cognossement.

Dit kan twee kanten op werken. Zo geldt bijvoorbeeld dat in het geval dat in het cognossement het beding ‘Freight prepaid’ is opgenomen de geadresseerde/'derde cognossementshouder’ zich daarop kan beroepen. In de omgekeerde positie geldt dat de vervoerder zich tegenover de geadresseerde/‘derde cognossementshouder’ kan beroepen op zijn cognossementsvoorwaarden die (vrijwel altijd) op de keerzijde van een cognossement zijn afgedrukt. Voorwaarden waar een vervoerder zich tegenover de geadresseerde op zal willen beroepen zijn bijvoorbeeld de clausules ter zake de verschuldigdheid van ‘demurrage’ of ‘detention ‘en de daarvoor geldende tarieven (het zogenoemde ‘carrier’s tariff’), de ‘Himalaya clause’, de ‘before and after clause’ of het in de algemene voorwaarden uitgebreide retentierecht (de ‘Lien clause’). De ‘Lien clause’ betreft een contractueel uitgebreid retentierecht dat de vervoerder de mogelijkheid geeft om de aflevering van de goederen aan de geadresseerde te weigeren voor vorderingen op de geadresseerde ter zake (onder meer) andere vervoersovereenkomsten die met die geadresseerde zijn gesloten. Zonder die ‘Lien clause’ zou een vervoerder in de positie kunnen verkeren om uitsluitend afgifte van goederen te weigeren totdat de zeevracht die drukt op die betreffende goederen is voldaan.

Gebondenheid van de geadresseerde aan sea waybill voorwaarden?
Net als op een cognossement wordt op sea waybills (in de regel) verwezen naar algemene voorwaarden die ook afgedrukt kunnen zijn op de keerzijde. Een voor sea waybills met art. 8:441 lid 2 BW vergelijkbare bepaling ontbreekt echter. Mede daarom bestaat in de praktijk onduidelijkheid of, en zo ja op welke wijze, de geadresseerde onder een sea waybill is gebonden aan de sea waybill voorwaarden.

Arrest Hof Den Haag
Recent heeft het Hof Den Haag[2] arrest gewezen in een zaak waarin aan de orde was of een vervoerder zich ten opzichte van een geadresseerde onder een sea waybill mocht beroepen op haar vervoersvoorwaarden. De casus was als volgt. Een Amerikaanse expediteur (‘Rinkens’) had bij zeevervoerder MSC, het zeevervoer geboekt van een container met Harley Davidson-motoren en een Hummer H2. In de ‘booking confirmation‘ waarin bij boeking de vervoerovereenkomst werd vastgelegd, was bepaald dat de sea waybill voorwaarden van toepassing zijn tussen MSC en de ‘Merchant’, zijnde de ‘shipper’, ‘consignee’ en eigenaar van de goederen. Die sea waybill voorwaarden bevatten onder andere een ‘Lien clause’. De geadresseerde was ICT. Vervolgens is een sea waybill opgemaakt en als .pdf aan Rinkens toegezonden. De container is daarop over zee naar Nederland verscheept. Na aankomst van de container de geadresseerde op de sea waybill, ICT, verzocht om aflevering. Het Hof Den Haag oordeelde dat op grond van de ‘booking confirmation’ vaststaat dat het uitgebreide retentierecht tussen Rinkens en MSC overeen is gekomen en voorts dat dit beding door MSC tegenover ICT, de geadresseerde die om aflevering heeft gevraagd, kan worden ingeroepen. Het Hof overweegt dat het beding aan de geadresseerde in dat geval kan worden tegengeworpen, ook als die niet reeds via vertegenwoordiging partij is bij de vervoerovereenkomst, maar daartoe eerst later toetreedt.

Conclusie
Dit arrest van het Hof Den Haag bevestigt dat de rechtsverhouding tussen zeevervoerders en geadresseerden onder een sea waybill eveneens beheerst kan zijn door de algemene voorwaarden van de zeevervoerder. De weg naar gebondenheid aan die algemene voorwaarden verschilt evenwel van de wijze waarop cognossementsvoorwaarden ten opzichte van de geadresseerde gelden. In beide situaties is sprake van gebondenheid van de geadresseerde door een ‘ontvangershandeling’, zoals het vragen om aflevering. Echter, in tegenstelling tot bij het vervoer onder cognossement, lijkt niet de inhoud van de sea waybill, maar de inhoud van ‘booking confirmation’ (die wellicht onbekend is bij de geadresseerde) een cruciale rol te spelen bij de beantwoording van de vraag of de geadresseerde is gebonden aan de algemene voorwaarden van de zeevervoerder.

* * *

[1] Hof Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3702.
[2] Hof Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3702.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Heldere zaken

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2020 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden