Ontdooide vis of vis die niet goed ten vervoer is aangeleverd?

April 2021

Het vervoer over zee van gekoelde en diepvriesproducten neemt al jaren een hoge vlucht. Het aantal gespecialiseerde koel- of reeferschepen wordt echter minder. In plaats daarvan vindt het vervoer steeds meer plaats in koel- of reefercontainers. Die reefercontainers worden vaak door de ladingbelanghebbende beladen (gestuffed), en afgesloten en verzegeld voor het vervoer aangeleverd aan de vervoerder. Wanneer tijdens het vervoer schade ontstaat doordat de temperatuur van de diepvriesproducten te hoog is opgelopen kan het voor de ladingbelanghebbende onder omstandigheden lastig worden om te bewijzen dat de schade tijdens het vervoer is opgetreden, zo blijkt uit een recent vonnis van de Rechtbank Rotterdam[1].

Feitelijke achtergrond

De zaak betreft het zeevervoer van een reefercontainer met diepgevroren vis van Qingdao (China) naar Immingham (Verenigd Koninkrijk) onder een sea waybill. Na lossing in Immingham houden de autoriteiten de reefercontainer apart, omdat zij in de container te hoge temperaturen (van -2º Celsius tot -5º Celsius) hebben gemeten. De diepgevroren vis diende echter op -21º Celsius te worden vervoerd. De vis is daarop vernietigd en de ladingbelanghebbende houdt de vervoerder aansprakelijk voor de schade vanwege het verlies van de vis (US$ 110.000 + GBP 32.000).

Vonnis Rechtbank Rotterdam

Op de vordering van de ladingbelanghebbende zijn de Hague-Visby Rules van toepassing, omdat partijen dat zijn overeengekomen. Partijen zijn het er verder over eens dat de vis op -21º Celsius vervoerd had moeten worden.

De vervoerder betwist echter dat de vis in goede staat ten vervoer is ontvangen en dat de inhoud van de reefercontainer (de dozen vis) een temperatuur van -21º Celsius had op het moment dat deze aan boord werd gebracht. Daartoe voert de vervoerder aan dat de koelinstallatie van de reefercontainer naar behoren heeft gewerkt, en gedurende het volledige vervoer ingesteld is geweest op -21º Celsius. De vervoerder beroept zich op een gebrekkige stuwage van de dozen met vis in de reefercontainer (door de ladingbelanghebbende). De reefercontainer kon volgens de vervoerder namelijk niet goed koelen, omdat deze verkeerd was beladen, waardoor de circulatie van koude lucht werd belemmerd en niet langs alle dozen met vis werd geleid. Omdat de reefercontainer al enkele dagen voordat deze aan de vervoerder werd aangeboden was beladen, was mogelijk toen al een deel van de dozen met vis niet meer op de juiste temperatuur.

De rechtbank zet in dit vonnis eerst de aansprakelijkheidsregeling van de Hague-Visby Rules op overzichtelijke wijze uiteen. Zo overweegt de rechtbank dat de vervoerder, op grond van art. III HVR, gehouden is om redelijke zorg te betrachten voor de zeewaardigheid van het schip vóór en bij aanvang van de reis, inclusief voor de ladinggeschiktheid van het schip. Verder is de vervoerder gehouden om redelijke zorg te betrachten voor de behandeling van de lading, inclusief laden, stuwen en lossen gedurende de gehele aansprakelijkheidsperiode van de vervoerder. De vervoerder is verder aansprakelijk voor zijn hulpersonen en kan zijn aansprakelijkheid alleen maar ontlopen als hij een van de bevrijdende gebeurtenissen van art. IV (2) HVR en het causale verband tussen deze gebeurtenis en de schade bewijst. Op de ladingbelanghebbenden rust echter de bewijslast dat de lading (de diepvriesproducten) niet in dezelfde staat is afgeleverd als waarin deze ten vervoer is ontvangen en dat dus tijdens het vervoer schade is opgetreden.

De ladingbelanghebbende beroept zich allereerst op de vermelding op de sea waybill ‘received in apparent good order and condition’, ter onderbouwing dat de vis in goede en diepgevroren staat door de vervoerder is ontvangen. De rechtbank oordeelt echter dat, omdat de reefercontainer was vergrendeld en verzegeld, die vermelding niet tot bewijs kan dienen. De vervoerder heeft de dozen vis niet kunnen zien of beoordelen. De rechtbank oordeelt verder dat de temperatuurinstructie (-21º Celsius), de ingestelde temperatuur van de koelinstallatie betreft, en dus niet die van de in de reefercontainer gestuwde vis.

De rechtbank komt daarna toe aan een beoordeling van de wijze van stuwage. Aan de hand van diverse expertiserapporten en van foto’s die bij belading in China en bij inspectie in het Verenigd Koninkrijk zijn gemaakt, oordeelt de rechtbank dat de dozen met vis te hoog, te veel richting de deur, en te dicht tot aan de zijwanden van de reefercontainer zijn geplaatst. Het gevolg hiervan is dat de koude lucht niet langs de dozen met vis kon stromen, en de koeling in de reefercontainer dus niet goed functioneerde. De rechtbank wijst de vordering van de ladingbelanghebbende daarom af. Zij oordeelt dat aan de hand van de foto’s die gemaakt zijn bij belading in China onvoldoende is komen vast te staan dat de vis wél goed en vervoersgeschikt in de container was gestuwd toen hij ten vervoer werd ontvangen.

Conclusie

Uit dit vonnis volgt – wederom – dat de ladingbelanghebbende de bewijslast draagt dat diepvriesgoederen in goede staat ten vervoer worden aangeboden. De ladingbelanghebbende zal dit met ‘een redelijke mate van zekerheid’[2] moeten aantonen. Voor diepvriesgoederen houdt dat in dat ze, naast dat ze de juiste temperatuur moeten zijn, ook op de juiste wijze in de container moeten zijn gestuwd. De ladingbelanghebbende doet er verstandig aan dit zich te realiseren en eventueel maatregelen te nemen om niet in bewijsnood te komen en met duidelijke foto’s vast te leggen hoe de reefercontainer werd gestuwd. Komt niet vast te staan dat de container goed werd gestuwd, dan komt dat voor rekening van de ladingbelanghebbende.

* * *

[1] Rechtbank Rotterdam 31 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2731.
[2] Rechtbank Rotterdam 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8540.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden