Is een loopbrug onderdeel van een schip?

Februari 2022

Een elektromonteur raakt gewond tijdens de uitoefening van bouwwerkzaamheden. In de lunchpauze gebruikt hij een loopbrug om aan boord van een ponton te gaan. Terwijl hij op de loopbrug loopt, valt deze naar beneden. De elektromonteur heeft letselschade opgelopen als gevolg van de val. In deze zaak gaat het over de vraag of de eigenaar van de loopbrug én de ponton aansprakelijk is voor deze letselschade. In haar vonnis van 22 december 2021 gebruikt de Rechtbank Rotterdam[1] de regeling inzake de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige zaken[2] om deze vraag te beantwoorden. Echter, was hier niet sprake van een schadevaring?

De achtergrond
Eiser is een zelfstandig ondernemer zonder personeel. Eén van de onderaannemers bij een woontorenproject heeft hem ingeschakeld als elektromonteur.
In de haven tegenover de bouwplaats van het woontorenproject lag een ponton met daarop een bouwkeet. De ponton kon aan twee kanten worden bereikt door middel van tussen de kade en de ponton gelegen loopbruggen. De ponton, de bouwkeet en de loopbruggen zijn eigendom van de hoofdaannemer van het project.
Terwijl de elektromonteur zich samen met een collega op één van de loopbruggen bevond, is deze loopbrug in het water gevallen. Uit het toedrachtonderzoek blijkt dat loopbrug op de kade was vastgemaakt aan een betonblok. De ponton is weggedreven van de kade. De loopbrug is blijven haken achter een obstakel van de ponton en heeft, tijdens het wegdrijven, aan het betonblok getrokken. Het betonblok is losgekomen en in het water terechtgekomen. In zijn val heeft hij de loopbrug losgetrokken en is de loopbrug, met de personen, in het water gevallen.

Procedure
In deze procedure vordert eiser een verklaring voor recht dat de hoofdaannemer, te weten de eigenaar van de ponton en de loopbrug, aansprakelijk is voor zijn schade. Hij baseert zijn vordering op de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige zaken. Eiser stelt dat het ongeval is veroorzaakt doordat de loopbrug waarop hij en zijn collega stonden niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden konden worden gesteld. Daarmee staat volgens Eiser vast dat sprake was van een gebrekkige roerende zaak.

De hoofdaannemer verweert zich onder meer met de stelling dat zijn aansprakelijkheid moet worden beoordeeld op basis van de aanvaringsregelen. Volgens hem is de loopbrug onderdeel van de ponton. Er is dus sprake van een ‘schadevaring’.[3] Hiervoor geldt géén risicoaansprakelijkheid maar een schuldaansprakelijkheid. De hoofdaannemer is pas verplicht tot schadevergoeding wanneer sprake is van schuld van de ponton.[4]

De rechtbank gaat voorbij aan dit verweer. Op basis van de toelichting van partijen overweegt zij dat niet valt in te zien dat de loopbrug als een bestanddeel of als een scheepstoebehoren van de ponton dient te worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt de zaak dan ook op grond van de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige zaken. De rechtbank oordeelt dat hier sprake is van een gebrekkige zaak. De afdrijvende beweging van de ponton en de massa van de ponton hebben ervoor gezorgd dat de ponton het betonblok van de kade trok met als gevolg dat de loopbrug van de kade gleed, doormidden brak en in het water viel terwijl eiser en zijn collega zich op de loopbrug bevonden. Van een loopbrug die veelvuldig wordt gebruikt mag echter worden verwacht dat deze niet breekt wanneer twee mensen daar overheen lopen. De rechtbank acht de hoofdaannemer dan ook aansprakelijk.

Is een loopbrug scheepsbestanddeel of –toebehoren?
Het staat buiten kijf dat de ponton kwalificeert als ‘schip, te weten een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft.[5]
De wet bepaalt verder dat en vanaf welk moment voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën bestanddeel van een schip zijn.[6] Uit de parlementaire geschiedenis en literatuur volgt dat het begrip ‘machinerieën’ onder meer motoren ter opwekking van elektriciteit, ‘air conditioning’, verwarmings- en koelinstallaties, door motoren aangedreven lieren, winches, kranen, beladings- c.q. lossingswerktuigen en zandzuiginstallaties omvat.[7] Dat de rechtbank heeft geconcludeerd dat de loopbrug géén scheepsbestanddeel is, is dan ook te begrijpen. Echter, haar conclusie dat deze loopbrug géén scheepstoebehoren zou zijn, is minder goed te volgen.

De wet verstaat onder scheepstoebehoren de zaken die (i) géén scheepsbestanddeel zijn en (ii) bestemd zijn om het schip duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen. Navigatie- en communicatiemiddelen worden in dat kader specifiek genoemd als scheepstoebehoren.[8] Enkele voorbeelden van ‘scheepstoebehoren’ uit de rechtspraak:

  • de meertouwen en ankerdraden van een schip;[9]
  • de laad- en losslangen van een schip;[10] 
  • een portofoon;[11]
  • scheepslogboeken;[12] 
  • hef- en graafwerktuigen;[13]
  • echoloodinstallatie;[14] 
  • vistuig.[15]

Scheepstoebehoren worden tot het schip gerekend.[16]De Van Dale definieert loopbrug als ‘plank met leuning om aan boord of van boord te gaan’. Vóór het ongeval werd de loopbrug al ruim anderhalf jaar op die manier gebruikt; om in de haven aan en van boord de ponton te gaan. Ons inziens valt er dan ook veel voor te zeggen dat de loopbrug de ponton ‘duurzaam’ diende en als zodanig te herkennen was. Het zou ook vreemd zijn om zaken aan boord waarmee lading wordt geladen en gelost (de eerder genoemde laad- en losslangen van het schip) wél als scheepstoebehoren aan te merken en zaken die dienen om mensen aan en van boord te krijgen niet.

Schip of niet. Relevantie?
Of de loopbrug kwalificeert als scheepstoebehoren (en daarmee als onderdeel van de ponton) is juridisch zeer relevant.

Vooraleerst voor de grondslag van de aansprakelijkheid. In geval van een gebrekkige zaken kent de Nederlandse wet een risicoaansprakelijkheid. Om aan aansprakelijkheid te ontkomen, moet de bezitter zijn onschuld bewijzen. In geval de loopbrug kwalificeert als scheepstoebehoren valt het voorval binnen het bereik van de aanvaringsregelen, bestaat de verplichting tot schadevergoeding pas wanneer de schade is veroorzaakt door schuld van een schip.[17] De stelplicht en bewijslast van de schuld van een schip liggen bij de benadeelde.[18]

Verder gelden verschillende verjaringstermijnen. Voor vorderingen op grond van de ‘gebrekkige zaken’-regeling geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.[19] Die termijn gaat lopen vanaf de dag waarop de benadeelde zowel bekend is geworden met de schade als de aansprakelijke partij. Voor aanvaringsvorderingen geldt een verjaringstermijn van twee jaar, welke gaat lopen vanaf het moment van voorval.[20] Een laatste verschil dat wij benoemen is de mogelijkheid van de scheepseigenaar om zijn aansprakelijkheid globaal te beperken. Het gaat te ver om in deze bijdrage alle ins en outs van het beperkingsrecht te bespreken. Voor nu volstaan wij met de opmerking dat aansprakelijkheid van een scheepseigenaar in geval van aanvaring niet zonder meer betekent dat hij alle schade van benadeelde moet vergoeden.

Tot slot
De rechtbank lijkt in deze zaak de (loop)plank mis te slaan door de loopbrug niet als scheepstoebehoren te bestempelen. Of de uitkomst een andere zou zijn geweest wanneer de aanvaringsregelen wel zouden zijn toegepast, valt te bezien. Van de benadeelde zou mogelijk meer zijn verlangd om de schuld van de ponton (en daarmee de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer) aan te tonen.

Kortom, in dit soort letselschadezaken is naast kennis van het ‘droge’ civiele recht ook de specifieke kennis van het ‘natte’ recht nodig.

Meer informatie en contact
Wilt u hierover meer weten, dan kunt u contact opnemen met Nol van Hal of Ronna Rutten.

* * *

[1] Rechtbank Rotterdam 22 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12808.
[2] Artikel 6:173 BW.
[3] Zie over wat aanvaringen en schadevaringen zijn: ‘Navigeren in aanvaringswateren – wat is een aanvaring?'.
[4] Zie over de aansprakelijkheid in geval van aanvaring: ‘Navigeren in aanvaringswateren – Aanvaring en aansprakelijkheid’.
[5] Artikel 8:1 lid 1 BW.
[6] Artikel 8:1 lid 3 BW.
[7] Artikel 8:1 lid 3 BW, Parl. Gesch. Boek 8, M.v.T. (19 979), p. 43 en Asser/Japikse 7-I 2004/28 Algemene bepalingen en rederij.
[8] Artikel 8:1 lid 4 BW.
[9] Zie o.m. Hof Arnhem 23 december 1980, S&S 1981/40 (“Rapide”).
[10] Rb. Rotterdam 4 maart 1999, S&S 2000/26.
[11] Hof Den Bosch 16 juni 2015, S&S 2016/101 (Libertas).
[12] Rb. Rotterdam 8 mei 2003, S&S 2003/139 (Peregrine).
[13] Rb. Utrecht 19 maart 1980, S&S 1981/132 (Zwerver II); Rb. Dordrecht 8 december 1980, S&S 1983/87 (Avontuur).
[14] Rb. Leeuwarden 18 september 1980, S&S 183/25 (Simon).
[15] Rb. Rotterdam 30 maart 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ0990; Hof Amsterdam 24 april 2018, S&S 2018/88 (Morgenster).
[16] Artikel 8:lid 5 BW.
[17] Artikel 8:544 BW (zeeschepen) en artikel 8:1004 lid 1 BW (binnenschepen).
[18] Zie bijvoorbeeld: Rb. Rotterdam 24 juli 2019, S&S 2020/18 (Formosa/Atlantic Performer).
[19] Artikel 3:310 lid 1 BW.
[20] Artikel 8:1790 BW (zeeschepen) en artikel 8:1793 BW (binnenschepen).

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2022 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden