Een directe aanspraak van de ene verzekeraar tegen de andere verzekeraar in een CMR-zaak

Oktober 2020

Een directe aanspraak van de ene verzekeraar tegen de andere verzekeraar in een CMR-zaak? Kun je dan dagvaarden en een regresvordering instellen voor dezelfde rechter als de rechter die van de vordering tegen de ondervervoerder kennis neemt? Volgens een uitspraak van het Bundesgerichtshof van 29 mei 2019 is dit onder omstandigheden mogelijk. Dit artikel bespreekt kort het arrest van het BGH, de positie van de Nederlandse rechter ten aanzien van dit vraagstuk en de relevantie van de Duitse uitspraak.

Op 29 mei 2019 heeft het Bundesgerichtshof (‘BGH’), de hoogste Duitse rechter, geoordeeld dat artikel 31 CMR - dat bepaalt welke rechter rechtsmacht heeft en over een zaak mag oordelen - ook de rechtsmacht regelt bij een directe aanspraak van een gesubrogeerde verzekeraar van de (hoofd)vervoerder tegen de verzekeraar van een (onder)vervoerder in geval van ladingschade tijdens het vervoer over de weg waarop het CMR-verdrag van toepassing is.[1] Of een directe aanspraak tegen de verzekeraar bestaat, regelt het CMR-verdrag niet. Dit hangt af van het toepasselijke nationale recht. Het Poolse recht kent bijvoorbeeld in beginsel een dergelijke directe aanspraak. Het Nederlandse recht kent een dergelijke directe aanspraak in beginsel niet, behoudens specifieke uitzonderingen in bijzondere situaties.[2] Indien is vastgesteld dat er een directe aanspraak tegen de verzekeraar bestaat op grond van het toepasselijke recht, rijst de vraag welke rechter van de vordering tegen de verzekeraar kennis kan nemen. In dat kader is het arrest van het BGH interessant.

Het arrest van het BGH van 29 mei 2019
De feiten die aanleiding gaven tot het arrest van het BGH zijn eenvoudig. De hoofdvervoerder had opdracht gekregen van de afzender tot het vervoer van een zending van Milaan, Italië naar Salzgitter, Duitsland. Deze hoofdvervoerder had dit vervoer uitbesteed aan een Poolse ondervervoerder (I) die het vervoer weer had uitbesteed aan de volgende ondervervoerder (II). De vervoersketen zag er dus als volgt uit:


Tijdens het vervoer van de zending van Italië naar Duitsland was schade ontstaan. De gesubrogeerde verzekeraar van de hoofdvervoerder startte een procedure in Duitsland tegen de Poolse ondervervoerder (ondervervoerder I) én diens Poolse verzekeraar en vorderde onder andere vergoeding van de schade. De rechtsmacht van de Duitse rechter werd door de Poolse verzekeraar betwist.

Zowel de Duitse rechtbank, als het hof en het BGH oordeelden dat zij rechtsmacht hadden om ook van de directe vordering tegen de Poolse verzekeraar kennis te nemen. Het BGH wees ter onderbouwing van dit oordeel onder andere op de bewoordingen van artikel 31 CMR.

Artikel 31 CMR luidt:

“Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:
a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door middel waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of
b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen is gelegen; zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.”

Het BGH overwoog dat onder andere van belang is dat dit artikel bepaalt dat artikel 31 CMR van toepassing is op “alle rechtsgedingen waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft”. Artikel 31 CMR dient volgens het BGH dus ruim te worden uitgelegd, zodat ook een directe aanspraak van de ene verzekeraar tegen een andere verzekeraar binnen de reikwijdte van deze bepaling valt. Aangezien de plaats van aflevering van de zending in Duitsland was gelegen, had de Duitse rechter volgens het BGH dus rechtsmacht om ook van de vordering tegen de Poolse verzekeraar kennis te nemen.

Kritiek in Duitsland
In de Duitse literatuur is de vraag gerezen of deze uitspraak van het BGH wel juist is. Zo is de vraag opgeworpen of artikel 31 CMR inderdaad zo ruim dient te worden uitgelegd en hoe de uitspraak van het BGH zich verhoudt tot de bevoegdheidsregels die op Europees niveau zijn afgesproken en die zijn neergelegd in de (herschikte) EEX-verordening.[3]

Hoe zit dit in Nederland?
De Nederlandse Hoge Raad heeft zich nog niet gebogen over de vraag of het CMR-verdrag ook de internationale rechtsmacht regelt in het geval van een directe aanspraak van de ene verzekeraar tegen de andere verzekeraar bij schade aan of verlies van de lading bij internationaal wegvervoer. Het is onzeker of de Hoge Raad eenzelfde uitleg aan artikel 31 CMR zal geven als het BGH.

Een lagere Nederlandse rechter heeft de vraag of er in een CMR-zaak rechtsmacht is voor een directe vordering van de ene jegens de andere verzekeraar eerder beoordeeld op grond van de (destijds geldende) EEX-verordening en niet op grond van het CMR-verdrag.[4] Die verzekeraar werd toen in haar vordering tegen de andere verzekeraar niet-ontvankelijk verklaard.

Er zijn echter ook Nederlandse uitspraken die een aanknopingspunt kunnen bieden voor het geven van een ruime uitleg aan artikel 31 CMR en voor het volgen van het oordeel van het BGH. Het Hof Amsterdam heeft bijvoorbeeld eerder overwogen dat artikel 32 CMR dat ziet op verjaring en dat vergelijkbare bewoordingen kent als artikel 31 CMR ruim dient te worden uitgelegd.[5] Een analoge toepassing van die redenering zou de Nederlandse rechter er toe kunnen bewegen het oordeel van het BGH te volgen.

De praktische relevantie van het arrest van het BGH
In het licht van de uitspraak van het BGH is het raadzaam om bij het instellen van een vordering in het kader van regres in een CMR-zaak (zowel in Duitsland als elders) na te gaan of op grond van het toepasselijk recht niet alleen een vordering tegen de ondervervoerder kan worden ingesteld, maar ook tegen diens verzekeraar. Dat kan praktisch en economisch zijn. De kosten van het instellen van een vordering tegen een extra procespartij zijn veelal beperkt, omdat dit in beginsel kan worden gedaan in dezelfde dagvaarding. Door het instellen van een vordering tegen de verzekeraar kan mogelijk wel een extra debiteur worden gecreëerd.

Het besproken arrest van het BGH biedt aanknopingspunten om de verzekeraar van de ondervervoerder te dagvaarden voor hetzelfde gerecht als de ondervervoerder zelf. Indien een directe actie mogelijk is, kan het van belang zijn om de identiteit van de verzekeraar van de ondervervoerder te achterhalen en indien mogelijk ook een kopie van diens verzekeringspolis te bemachtigen.

* * * 

[1] BGH 29 mei 2019 (I ZR 194/18), ECLI:DE:BGHG:2019:290519UIZR194.18.0. Te raadplegen via https://juris.bundesgerichtshof.de/cgi-bin/rechtsprechung/document.py?Gericht=bgh&Art=en&sid=29d7da3b0ae9f8934d53a2d1b5024888&nr=98857&pos=3&anz=6[2] Er kan bijvoorbeeld wel een directe aanspraak jegens een verzekeraar bestaan bij een zogenoemde WAM-schade (vgl. art. 6 WAM).
[3] Zie O. Hartenstein, Der Gerichtsstand des Art. 31 CMR für Direktklagen gegen den Haftplichtversicherer des Frachtführers – zugleich Anmerkung zum Urteil des BGH vom 29.05.2019 (I ZR 194/18), Transportrecht Heft 2, Februar 2020, p. 57-61.
[4] Zie o.a. Hof Arnhem 12 juni 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW7770 (en de daarin opgenomen verwijzingen naar het (niet gepubliceerde) vonnis in eerste aanleg).
[5] Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 14 april 2019, S&S 2010, 79. Deze uitspraak, althans het arrest dat verband houdt met dit arrest (S&S 2010, 80), is onder andere kritisch besproken door M.H. Claringbould in zijn toelichting bij artikel 28 AVC. Verwezen zij ook naar HR 10 februari 2000 (AXA/De Poorter), S&S 2000, 83.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2020 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden