Arbeidsongeschiktheid door een burn-out? De bewijsthematiek nog eens uiteengezet

Juli 2021

Op 18 juni jl. heeft de Hoge Raad een zaak afgedaan op grond van artikel 81 RO (Wet op de rechterlijke organisatie) (ECLI:NL:HR:2021:944). De zaak ging over iemand die arbeidsongeschikt is geraakt door een burn-out. Het ‘afdoen’ betekent dat de Hoge Raad van oordeel is dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Klinkt als weinig spannends. Toch geeft de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2021:21) voorafgaand aan dit arrest aanleiding om weer eens stil te staan bij het bewijsrecht in het geval van beroepsziekten.

De casus
Een werknemer is sinds 1 november 2008 in dienst bij Urenco Nederland B.V. Zijn laatste functie voor zijn uitval was Site Delivery Manager. In deze functie was hij verantwoordelijk voor het management van de IT-systemen, het identificeren van veiligheidsrisico’s en het bepalen en uitvoeren van maatregelen omtrent de veiligheid van de informatiesystemen van Urenco. Op 2 mei 2016 meldt de werknemer zich ziek. Hij wijst jarenlang overwerken, onduidelijkheid over de inhoud van zijn functie, onbegrip bij collega’s over zijn relatie met een collega, het gevoel in een onveilige werkomgeving te verkeren en misstanden binnen de organisatie aan als oorzaken van zijn ziekmelding. De werkgever herkent zich niet in dit beeld. Na ziekmelding verschillen partijen bovendien van mening over de re-integratie verplichtingen van de werkgever. De bedrijfsarts heeft op 7 september 2018 geoordeeld dat de werknemer niet belastbaar is voor zijn eigen werk, noch voor ander werk binnen Urenco. Bij brief van 4 oktober 2018 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2019.

Op 18 februari 2019 dient de werknemer bij de rechtbank Overijssel een verzoekschrift tot toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:682 lid 1 c BW tevens houdende vorderingen ex artikel 7:686a lid 3 BW in. Hierom kan een werknemer verzoeken wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Bij beschikking van 23 april 2019 heeft de kantonrechter de vorderingen van de werknemer afgewezen. In hoger beroep heeft de werknemer benadrukt dat hij, naast een ‘billijke vergoeding’, op grond van hetzelfde feitencomplex ook schadevergoeding had gevorderd, gebaseerd op artikel 7:658 BW (werkgeversaansprakelijkheid) of artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap). Bij beschikking van 16 maart 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:2377) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelt dat de werknemer zijn stellingen ten aanzien van zijn vordering op grond van goed werkgeverschap en werkgeversaansprakelijkheid niet (voldoende) heeft onderbouwd.

De werknemer gaat in cassatie nu hij van mening is dat het hof onterecht heeft nagelaten de stellingen van de werknemer te toetsen aan artikel 7:611 en/of artikel 7:658 BW. Meer specifiek is één van de klachten dat het hof het beoordelingskader van artikel 7:658 BW heeft miskend. Op die vraag gaat A-G Langemeijer nader in.

Conclusie A-G Langemeijer: bewijsthematiek beroepsziekten psychisch letsel
Conform de hoofdregel van het bewijsrecht van artikel 150 Rv is het aan de werknemer om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Indien dit is aangetoond, althans aannemelijk is geworden, is het vervolgens aan de werkgever (behoudens gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer) te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Voldoet de werkgever niet aan zijn zorgplicht, dan is daarmee in beginsel ook het oorzakelijk verband tussen de normschending en de schade gegeven. Wanneer de werkgever kan aantonen dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van hem konden worden verwacht, het ongeval niet zouden hebben voorkomen, is de werkgever van zijn aansprakelijkheid bevrijd. In dat geval ontbreekt het voor aansprakelijkheid noodzakelijke conditio sine qua non-verband.

In 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat artikel 7:658 BW inzake de werkgeversaansprakelijkheid ook van toepassing is bij psychische schade (ECLI:NL:HR:2005:AR6657). In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat er sprake moet zijn van een oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en de psychische schade. Dit oorzakelijk verband is logischerwijs doorgaans lastiger aan te tonen dan bij fysiek letsel. Een burn-out op het werk heeft vaak een multi-causaal karakter doordat de oorzaak ook (mede) kan liggen in privéomstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan persoonlijke aanleg of andere, in ieder geval niet aan het werk gerelateerde, omstandigheden.

Onder verwijzing naar Vegter haalt A-G Langemeijer aan dat de werknemer die stelt psychisch ziek te zijn geworden door werk een relatief zware bewijslast heeft (alinea 2.10 conclusie A-G Langemeijer):

“De enkele stelling dat hij overspannen is geraakt door het werk is, ook als deze stelling wordt ondersteund door een medisch rapport, onvoldoende om aan te nemen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Het kan dan nog steeds zo zijn dat zijn ziekte het gevolg is van zijn eigen mentale gesteldheid of van oorzaken in de privé-sfeer. De werknemer moet dus méér stellen. Dit meerdere zal bijna steeds liggen op het vlak van schending van de zorgplicht door de werkgever. Een werknemer zal er daarom in beginsel niet aan ontkomen om, in het kader van het te leveren bewijs van het bestaan van causaal verband tussen werk en ziekte, ook in te gaan op de door de werkgever niet nageleefde zorgplicht. Dat betekent dat de klassieke bewijslastverdeling van art. 7:658 BW, waarbij de werknemer alleen hoeft aan te tonen dat hij arbeidsongeschikt is geworden door het werk, waarna de werkgever moet bewijzen dat hij zijn zorgplicht heeft nageleefd, bij psychisch letsel veelal niet onverkort zal kunnen worden toegepast.”

Aan het leveren van bewijs van het oorzakelijk verband, zeker in geval van beroepsziekten, worden zware eisen worden gesteld. Het enkel overleggen van een medisch rapport is daarvoor onvoldoende. Psychisch letsel heeft nagenoeg altijd meerdere oorzaken en de klachten zijn bovendien doorgaans niet te objectiveren. Om die reden wordt van de werknemer dus meer verwacht. Er moet naar objectieve maatstaven iets bijzonders aan de hand zijn. Dit geldt eens temeer indien andere werknemers, onder dezelfde omstandigheden, niet kampen met vergelijkbare klachten. Van de werknemer wordt verwacht dat concreet wordt aangegeven welke zorgplicht door de werkgever niet is nageleefd. Op die manier zijn bij beroepsziekten het causaal verband en de zorgplicht nauw met elkaar verbonden.

In het kader van psychische schade en de zorgplicht van de werkgever is bovendien het kenbaarheidsvereiste van groot belang. Voor aansprakelijkheid in een dergelijk geval is nodig dat voor de werkgever kenbaar was dat een werknemer dreigde ziek te worden of hierop een verhoogd risico liep. In beginsel moet de werknemer dus actief kenbaar maken dat het mentaal minder goed gaat door de werkomstandigheden. In enkele gevallen kan een meer proactieve houding van de werkgever worden verwacht.

Onder verwijzing naar een recente publicatie van Lindenbergh stipt A-G Langemeijer het spanningsveld aan dat hierdoor ontstaat tussen enerzijds de verplichting van de werkgever om onderzoek te doen naar de risico’s, anderzijds de op de werknemer rustende verplichting om melding te maken van concrete risico’s. Lindenbergh stelt dat uit de feitenrechtspraak het uitgangspunt kan worden opgemaakt dat een werkgever geacht kan worden onderzoek te doen indien daar concrete aanwijzingen voor zijn. Bij kenbare risico’s wordt actie van de werkgever verwacht. Hierover haalt A-G Langemeijer nog de opvallende conclusie van Vegter aan dat in feitenrechtspraak op zou vallen dat bij werknemers met hogere functies sneller wordt verwacht dat zij zelf actie ondernemen tegen problemen en ook eerder werkdruk aankaarten.

Belang voor de praktijk
In een tijd waarin toenemende burn-outklachten aan de orde van de dag zijn, is van belang dat er zware eisen aan de werknemer wordt gesteld voor het aantonen van het causaal verband tussen de schade en de werkomstandigheden. Daarbij ontkomt de werknemer er eigenlijk niet aan om concreet te stellen welke zorgplichten door de werkgever in het specifieke geval zijn geschonden. Bovendien mag van een werknemer verwacht worden dat die tijdig aan de bel trekt bij zijn leidinggevenden. De werkgever zal op zijn beurt moeten kunnen laten zien dat hij voldoende met die signalen heeft gedaan en daarnaast voldoende stellen omtrent het voldoen aan zijn zorgplicht.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden