Zorgen over/voor het schip van een ander

Maart 2021

Kosten maken om een schip van een ander te onderhouden is niet direct een aantrekkelijk idee. Stelt u zich voor dat u na lang sparen een motorkruiser heeft aangeschaft. Direct na levering ontdekt u dat er van alles mankeert aan het vaartuig en u ontbindt de koopovereenkomst. De verkoper weigert het schip weer in ontvangst te nemen. Een procedure bij de rechtbank kan soms jaren duren. Bent u al die tijd verantwoordelijk voor het benodigde onderhoud aan de motorkruiser?

De zorgplicht van art. 6:27 BW
In de bovengenoemde situatie wordt de zorgplicht van de houder van het schip naar Nederlands recht gebaseerd op art. 6:27 BW. Dat artikel is ook van toepassing op vergelijkbare situaties waar er geen afspraken zijn gemaakt over de mate van zorg die moet worden uitgeoefend op een zaak. Dan kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de crediteur die beslag legt op een schip of die daarop een pand- of retentierecht uitoefent. Ook bij een mondelinge bruikleenovereenkomst worden niet altijd duidelijke afspraken gemaakt. In alle gevallen doet de houder van het schip er goed aan stil te staan bij de zorgplicht die op hem rust.

Art. 6:27 BW biedt weinig praktische handvatten, omdat het niet meer bepaalt dan dat moet worden zorggedragen ‘op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen’. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vraag welke zorg van de schuldenaar kan worden verlangd, afhangt van de omstandigheden van het geval. Daarmee bedoelt de wetgever (in typische juristentaal) in ieder geval de inhoud en strekking van de verbintenis, de gewoonte, de aard van het door de schuldenaar uitgeoefende beroep of bedrijf en de middelen waarover een schuldenaar die zodanig beroep of bedrijf uitoefent, pleegt te beschikken. In de praktijk komt dat er simpelweg op neer dat de rechter alle door partijen aangevoerde omstandigheden meeweegt in zijn oordeel of een partij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

De zorgplicht van art. 6:27 BW is minder zwaar dan de zorgplicht uit hoofde van een bewaarnemingsovereenkomst. Bij bewaarneming wordt bijvoorbeeld aangenomen dat een verzekering tegen brand en diefstal gebruikelijk is. Een bewaarnemer is dus in beginsel verplicht die verzekeringen te sluiten, waar tegenover staat dat de bewaargever gehouden is de daaraan verbonden kosten, voor zover niet in het bewaarloon begrepen, aan de bewaarnemer te voldoen.[1] In een bewaarnemingsovereenkomst staan normaliter duidelijke afspraken over de verplichtingen van de bewaarnemer, die als invulling van zijn zorgplicht kunnen worden beschouwd. De beslaglegger of retentiehouder maakt hier natuurlijk geen afspraken over met zijn crediteur.

De motorkruiser
Bij de zorgplicht van art. 6:27 BW gaat het dus om alle omstandigheden van het geval en gaat het om situaties waarin in de regel geen afspraken zijn gemaakt. Een voorbeeldzaak biedt meer inzicht in de omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de afweging of een houder van een schip aan zijn zorgplicht heeft voldaan. In een procedure voor de Rechtbank Rotterdam ging het om de vraag of de teleurgestelde koper van een motorkruiser er goed aan had gedaan om geen onderhoudswerkzaamheden te verrichten.[2]

De houder had het schip onder zich gekregen door levering onder een koopovereenkomst, die daarna werd ontbonden. Het schip werd ondanks de ontbinding niet teruggenomen door de verkoper/eigenaar. De houder, een particulier, zat daardoor enkele jaren (voor de duur van de procedure tussen hem en de verkoper die volgde) met het schip opgescheept.

De houder/koper van het schip had gedurende een periode van vier jaar geen enkel onderhoud aan het schip gepleegd. Hij had daartoe aangevoerd dat de eigenaar het schip met gebreken aan hem had geleverd. Vervolgens had de eigenaar ontkend de verkoper van het schip te zijn en had hij geweigerd het schip terug te nemen. De houder van het pleziervaartuig voerde ten slotte aan dat hij geen professionele partij was, zodat van hem geen deskundige, professionele zorg kon worden verlangd.

De rechtbank oordeelde op basis van deze omstandigheden dat van de houder/koper slechts kon worden verwacht dat hij eenvoudig uit te voeren werkzaamheden ter voorkoming van (verder) achteruitgaan van het schip zou uitvoeren. Het plegen van uitgebreid onderhoud kon - in afwachting van de uitkomst van de procedure betreffende ontbinding van de koopovereenkomst - niet van de houder/koper worden verlangd.

Slot
De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam laat zien hoe alle omstandigheden worden meegewogen om de zorgplicht van de houder vast te stellen. Voor partijen die beslag leggen op een schip of daarop een pand- of retentierecht uitoefenen is het goed om zich te realiseren dat uit de zorgplicht die hieruit voortvloeit, een onderhoudsplicht kan ontstaan. Tegelijkertijd kan de eigenaar van het schip er niet te lichtvaardig van uitgaan dat als zijn schip door een ander wordt gehouden, hij zich er geen zorgen meer over hoeft te maken.

* * *

[1] Toelichting Meijers bij artikel 7.9.1.3, Parlementaire Geschiedenis, invoering 3, 5 en 6, boek 7, pagina 396.
[2] Rechtbank Rotterdam 18 januari 2006, NJF 2006/175.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden