Finale kwijting is niet altijd finaal: scoutingsbureau wint miljoenenzaak tegen Ajax

Op 9 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam een interessant arrest gewezen over de uitleg van een finale kwijtingsbepaling. [1] De zaak draaide om de vraag of een scoutingsbureau nog aanspraak kon maken op een vergoeding voor transfers van door haar aangedragen spelers die plaatsvonden na afloop van de scoutingsovereenkomst. 

De feiten
Een scoutingsbureau had sinds 2016 een overeenkomst met voetbalclub Ajax voor het scouten van talentvolle voetballers in onder meer Zuid-Amerika en Oost-Europa. In de overeenkomst was opgenomen dat het bureau recht had op een aanvullende vergoeding wanneer een door haar aangebrachte speler binnen vier jaar na indiensttreding bij Ajax werd doorverkocht aan een andere club. 

De samenwerking eindigde per 1 september 2020. Kort daarvoor ondertekenden partijen een brief waarin stond dat Ajax alle betalingen onder de overeenkomst had voldaan en dat het scoutingsbureau Ajax ‘volledige en finale kwijting’ verleende. 

In 2022 werden twee door het scoutingsbureau gescoute spelers overgenomen door Manchester United. Het scoutingsbureau maakte vervolgens aanspraak op een aanvullende vergoeding van ruim € 2 miljoen. Ajax weigerde te betalen en stelde zich op het standpunt dat het bureau met de ondertekende brief afstand had gedaan van alle huidige en toekomstige aanspraken. 

Kwijting of afstand van recht?
De kern van het geschil betrof de betekenis van de woorden ‘volledige en finale kwijting’.
Volgens Ajax moest de brief worden gezien als een beëindigingsovereenkomst waarbij het scoutingsbureau afstand had gedaan van alle rechten uit de scoutingsovereenkomst, inclusief toekomstige vorderingen. Het scoutingsbureau stelde daarentegen dat de kwijting uitsluitend zag op reeds vervallen verplichtingen van Ajax.

Het hof kiest nadrukkelijk voor het laatste standpunt.

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad benadrukt het hof dat kwijting (art. 6:48 en 6:49 BW) en kwijtschelding (art. 6:160 BW) twee verschillende juridische begrippen zijn. Kwijting heeft in beginsel een bewijsfunctie: de schuldeiser verklaart dat een bepaalde schuld is betaald.

Afstand van een vorderingsrecht vereist daarentegen een overeenkomst waaruit duidelijk blijkt dat een partij haar rechten prijsgeeft.  

Uitleg van de overeenkomst
Bij de uitleg van de kwijtingsbrief past het hof de Haviltex-maatstaf toe. Niet alleen de letterlijke tekst, maar ook de bedoeling van partijen en hetgeen zij over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen, is relevant. 
Het hof acht daarbij van belang dat:

  • de brief uitsluitend spreekt over ‘kwijting’;
  • nergens vermeld staat dat het scoutingsbureau afstand doet van toekomstige aanspraken;
  • over de desbetreffende bepaling in de scoutingsovereenkomst vooraf niet is onderhandeld;
  • de mogelijke transfervergoedingen aanzienlijk konden zijn;
  • het scoutingsbureau kort na ondertekening expliciet aan Ajax liet weten dat het desbetreffende artikel over de aanvullende vergoeding volgens haar onverkort bleef gelden.  

Volgens het hof (anders dan de rechtbank in eerste aanleg) kon uit de brief daarom niet worden afgeleid dat het scoutingsbureau afstand had gedaan van toekomstige vorderingsrechten. De enkele woorden ‘volledige en finale kwijting’ waren daarvoor onvoldoende. 

De beloningsregeling
Naast de kwijtingskwestie moest het hof bepalen hoe de aanvullende vergoeding moest worden berekend.

De overeenkomst bevatte een staffelsysteem dat was gekoppeld aan de netto-opbrengst van een transfer. Ajax stelde dat hierover telkens opnieuw afspraken moesten worden gemaakt. Het hof ging hier niet in mee. Volgens het hof was uit de overeenkomst voldoende duidelijk af te leiden dat partijen juist deze staffel als uitgangspunt hadden gekozen voor toekomstige vergoedingen. 

Omdat Ajax de berekeningen van het scoutingsbureau onvoldoende concreet had weersproken, ging het hof uit van de door het scoutingsbureau berekende netto-opbrengsten van de transfers. Dat resulteerde in een vergoeding van € 950.000 voor de transfer van de eerste speler en € 1.126.500 voor de transfer van de tweede speler. 

In totaal is Ajax veroordeeld tot betaling aan het scoutingsbureau van € 2.076.500 (exclusief btw), vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten.  

Praktische lessen voor de contractpraktijk
Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat rechters terughoudend zijn bij het aannemen van afstand van recht. Wie werkelijk beoogt dat ook toekomstige aanspraken vervallen, doet er verstandig aan dit expliciet en ondubbelzinnig vast te leggen.

Voor de praktijk zijn twee lessen relevant:

  1. Gebruik heldere terminologie. ‘Finale kwijting’ betekent niet automatisch dat alle toekomstige rechten vervallen.
  2. Benoem expliciet welke aanspraken worden prijsgegeven. Zeker wanneer het gaat om potentiële toekomstige vorderingen van substantiële omvang.

Conclusie
Het arrest laat zien dat een finale kwijtingsclausule niet zonder meer neerkomt op afstand van toekomstige vorderingen. Wanneer partijen een bestaande of toekomstige aanspraak daadwerkelijk willen laten vervallen, moet dat duidelijk uit hun afspraken blijken. 



[1] Gerechtshof Amsterdam 9 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1567.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2026 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden