Tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking: zeven jaar later alsnog mogelijk

September 2026

Wanneer is het eigenlijk te laat om hoger beroep in te stellen tegen een rechterlijke beslissing? In een reguliere civiele procedure lijkt het antwoord eenvoudig: na afloop van de appeltermijn staat een beslissing in beginsel vast. Die termijn bedraagt in een bodemprocedure drie maanden vanaf de dag na de dag van de uitspraak (vonnis of beschikking). Bij een kort geding is de termijn drie weken. Voor deelgeschillen ligt dat echter anders. Dat blijkt uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2026,[1] waarin tussentijds hoger beroep werd toegestaan tegen een deelgeschilbeschikking die al bijna zeven jaar eerder was gewezen. Op het eerste gezicht lijkt dat moeilijk verenigbaar met de gebruikelijke appeltermijnen. Hoe kan een partij dan toch nog jaren later verlof krijgen om in hoger beroep te gaan?

In deze blog bespreken wij het vonnis van de rechtbank Amsterdam en het bijzondere wettelijke regime van hoger beroep tegen deelgeschilbeschikkingen.

De zaak in het kort

De zaak vindt haar oorsprong in een letselschadegeschil tussen een voormalig politieambtenaar en de destijds voor de politie werkzame arbodienst. Nadat bij eiseres een hernia was vastgesteld, werd zij verwezen naar het OCA, een centrum voor revalidatie en re-integratie. Volgens eiseres heeft het daar intensief gevolgde behandelbeleid geleid tot een verergering van haar klachten en uiteindelijk tot blijvend letsel. In een deelgeschilprocedure uit 2018 verzocht zij de rechtbank te oordelen dat de arbodienst aansprakelijk was voor de door haar geleden schade. Dat verzoek werd afgewezen.[2]

Vervolgens startte eiseres in 2025 een bodemprocedure tegen deze arbodienst en verzocht zij de rechtbank om alsnog tussentijds hoger beroep toe te staan van de afwijzende deelgeschilbeschikking uit 2018. De arbodienst voerde daartegen verweer. Volgens de arbodienst was het verzoek, gelet op het tijdsverloop van bijna zeven jaar sinds de beschikking, te laat ingediend. Bovendien zou de bodemprocedure een andere vordering betreffen, zodat geen sprake meer was van dezelfde materiële rechtsverhouding.[3] De rechtbank verwierp dit verweer. Zij oordeelde dat het tijdsverloop niet in de weg stond aan het openstellen van tussentijds hoger beroep en dat nog steeds sprake was van dezelfde materiële rechtsverhouding tussen partijen. Om die reden verleende zij alsnog verlof voor tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking uit 2018.[4]  

Het juridische kader

In een reguliere civiele procedure geldt als uitgangspunt dat een partij hoger beroep moet instellen binnen de wettelijke appeltermijn. Voor tussenvonnissen geldt bovendien dat hoger beroep in beginsel pas tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter tussentijds hoger beroep heeft opengesteld (artikel 337 lid 1 en 2 Rv).

Voor deelgeschillen geldt op dit punt echter een bijzondere regeling. Hoewel tegen een deelgeschilbeschikking in beginsel geen hoger beroep openstaat (artikel 1019bb Rv), bepaalt artikel 1019cc lid 1 Rv dat beslissingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen in een latere bodemprocedure dezelfde kracht hebben als bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis. Artikel 1019cc lid 3 Rv biedt vervolgens de mogelijkheid om tegen dergelijke beslissingen, met verlof van de bodemrechter, tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank oordeelde dat de beschikking uit 2018 een dergelijke beslissing bevatte, omdat daarin was geoordeeld dat de arbodienst niet aansprakelijk was voor de gestelde schade. Daarmee was de weg naar toepassing van artikel 1019cc Rv geopend.

Voor de beantwoording van de vraag wanneer tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld, sloot de rechtbank aan bij het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021.[5] De Hoge Raad oordeelde daarin dat een rechter, zolang nog geen eindvonnis is gewezen, alsnog tussentijds hoger beroep kan openstellen. De appeltermijn vangt dan niet aan op het moment van de tussenbeslissing zelf, maar pas op de dag van het vonnis waarin tussentijds hoger beroep wordt opengesteld.[6]

Ook deze mogelijkheid kent grenzen 

Dat betekent niet dat tussentijds hoger beroep onbeperkt kan worden uitgesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter bij een verzoek tot openstelling van tussentijds hoger beroep in een deelgeschilprocedure moet beoordelen of dit leidt tot onredelijke vertraging van de procedure en of de wederpartij door het tijdsverloop daadwerkelijk in haar belangen wordt geschaad.[7]

In deze zaak slaagde de arbodienst er niet in dat aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat sinds de deelgeschilbeschikking bijna zeven jaar waren verstreken, was daarvoor onvoldoende. Ook had de arbodienst niet concreet kunnen uitleggen welke bewijsproblemen door het tijdsverloop waren ontstaan. De rechtbank zag daarom geen aanleiding het verzoek af te wijzen.

Conclusie

De belangrijkste les voor de praktijk is daarmee helder. Zodra een deelgeschilbeschikking een beslissing bevat over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, kan onder omstandigheden ook jaren later nog verlof voor tussentijds hoger beroep worden verleend. Niet het enkele tijdsverloop is daarbij doorslaggevend, maar de vraag of de wederpartij door dat tijdsverloop daadwerkelijk in haar belangen wordt geschaad.

Voor hoger beroep tegen een deelgeschilbeslissing geldt dus een afzonderlijk regime. Dat sluit naar ons oordeel goed aan bij de aard van de deelgeschilprocedure, die juist beoogt partijen door middel van een rechterlijke beslissing over een onderdeel van hun geschil weer op weg te helpen bij vastgelopen onderhandelingen. Indien partijen immers binnen drie maanden na een beslissing over de materiële rechtsverhouding al (met verlof) hoger beroep zouden moeten instellen om hun rechten veilig te stellen, zou dat de voortzetting van die onderhandelingen al snel frustreren of overschaduwen. 



[1] Rechtbank Amsterdam 1 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7460.

[2] Rb Amsterdam, r.o. 2.1-2.9.

[3] Rb Amsterdam, r.o. 3.1-3.3.

[4] Rb Amsterdam, r.o. 4.4-4.9.

[5] Hoge Raad 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924.  

[6] Hoge Raad, r.o. 3.2.4.

[7] Hoge Raad, r.o. 3.2.4. 

Deel dit artikel

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, dan kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2026 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden