Per 1 januari 2026 werkt de Rechtspraak met Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld als aanvulling op de ‘Rotterdamse Schaal’
De vaststelling van smartengeld blijft een terugkerend discussiepunt in de schadeafwikkeling. Om te komen tot meer uniformiteit in de beoordeling daarvan, is op 9 september 2025 de Rotterdamse Schaal [1] gepubliceerd. Deze Schaal biedt een gestructureerd model voor het bepalen van smartengeld bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen.
Parallel daaraan heeft de Rechtspraak een eigen werkgroep [2] ingesteld om Aanbevelingen te formuleren voor de begroting van smartengeld. Deze Aanbevelingen richten zich met name op het gebruik van de Rotterdamse Schaal in de rechtspraak.
Hoewel zowel de Rotterdamse Schaal als de Aanbevelingen geen bindende status hebben, worden de Aanbevelingen (en daarmee de Rotterdamse Schaal) per 1 januari 2026 wel in de rechtspraak toegepast. Een goed moment om deze Aanbevelingen kort uiteen te zetten en te bespreken waar volgens ons verdere verduidelijking vanuit de rechtspraak wenselijk is.
Aanbevelingen van rechters
Het gaat om in het totaal de volgende zes Aanbevelingen:
1. Methode van begroting: Voor de vaststelling van smartengeld geldt de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt. De daarin opgenomen bandbreedtes kunnen echter worden overschreden wanneer de omstandigheden van het geval dat rechtvaardigen. Wanneer van de Schaal wordt afgeweken, is een goede en gerichte motivering door de rechter van belang. [3] Hoe ver die motivering reikt, zal zich gaandeweg in de jurisprudentie verder uitkristalliseren.
2. Leeftijdscorrectie: De Rotterdamse Schaal kent drie categorieën: A) lichamelijk letsel, B) (geobjectiveerd) geestelijk letsel en C) smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel. Bij blijvend letsel in de A- en B-categorie wordt bij kinderen tot en met 14 jaar het smartengeld met 25% verhoogd en voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar met 15%. De bandbreedte (aan de bovenzijde) vormt daarbij geen begrenzing. [4] Een begrijpelijke en concrete aanbeveling die aansluit bij de reeds bestaande jurisprudentie, waarin bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld rekening wordt gehouden met de jeugdigheid van een benadeelde.
3. Ernstige verwijtbaarheid en opzet: In de Rotterdamse Schaal is geen rekening gehouden met ernstige verwijtbaarheid en opzet. Aangenomen wordt dat mensen meer leed ervaren van opzettelijk of ernstig verwijtbaar toegebracht letsel. Daarom wordt aanbevolen om binnen vaste marges een opslag toe te passen wanneer de mate van verwijtbaarheid daartoe aanleiding geeft. In de A- en B-categorie kan het smartengeldbedrag in dergelijke gevallen worden verhoogd met een percentage tussen 10 en 25%, waarbij 25% is voorbehouden aan de meest ernstige gevallen. Ook bij toepassing van deze opslag vormt de bovenzijde van de bandbreedte geen harde begrenzing.
Zoals toegelicht, ziet categorie C op smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel, dat veelal voorkomt bij strafrechtelijke delicten. Omdat opzet in die zaken doorgaans al is verdisconteerd, geldt de opslag in beginsel niet voor categorie C. [5] De Rotterdamse Schaal en de Aanbevelingen voorzien niet in die gevallen van categorie C waar opzet geen rol speelt. Gedacht kan worden aan smartengeld door normschending zoals de gasbevingskwestie in Groningen. [6] Het is niet ondenkbaar dat dergelijke gevallen zich naar de toekomst toe vaker zullen voordoen. In die gevallen zal een rechter maatwerk moeten leveren.
4. Rekenen met correcties: Correcties voor leeftijd (aanbeveling 2) en de mate van verwijtbaarheid (aanbeveling 3) worden niet met elkaar vermenigvuldigd, maar afzonderlijk berekend en vervolgens bij elkaar opgeteld. Het kan namelijk voorkomen dat dergelijke correctiefactoren zich in één zaak voordoen. [7] Hoe deze berekening precies moet worden toegepast, is op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd. Wij gaan ervan uit dat eerst het smartengeld wordt vastgesteld zonder toepassing van Aanbevelingen 2 en 3. Vervolgens worden de percentages afzonderlijk over dat smartengeldbedrag berekend en daarna opgeteld. Het jeugdigheidspercentage wordt dus niet meegenomen bij het bepalen van de correctie voor de mate van verwijtbaarheid.
5. Meervoudig letsel: Bij letsels die onafhankelijk van elkaar voorkomen (meervoudig letsel) weegt het zwaarste letsel volledig mee. Het in ernst tweede letsel wordt voor 50% meegenomen, waarbij beide bedragen bij elkaar worden opgeteld. Het totaalbedrag kan vervolgens worden verhoogd met de eerdere genoemde correcties voor leeftijd en mate van verwijtbaarheid. Eventuele “derde” en volgende letsels worden niet op dezelfde wijze gewogen, maar kunnen als aanvullende factor worden betrokken bij de uiteindelijke bepaling van de hoogte van het smartengeld. [8]
6. Duur letsel: De werkgroep beveelt aan om bij de begroting van het smartengeld onderscheid te maken tussen kortdurend, langdurig en blijvend letsel. Opvallend is dat de Rotterdamse Schaal dit onderscheid vooralsnog, zonder duidelijke motivering, uitsluitend hanteert bij nek- en schouderletsel. Kortdurend letsel betekent herstel binnen zes maanden (waarbij een litteken kan achterblijven), aansluitend bij de Richtlijn Licht Letsel van de Letselschaderaad. Langdurig letsel betreft herstel binnen twee jaar. Na die twee jaar wordt gesproken van blijvend letsel.
Hoe dit onderscheid in de praktijk precies moet doorwerken in de hoogte van het smartengeld wordt door de werkgroep niet uitgewerkt. Evenmin is duidelijk of de duur van het letsel op zichzelf aanleiding kan vormen om de bandbreedtes te overschrijden. Het is aan de rechtspraak om dit verder in te vullen. De wijze waarop rechters hiermee zullen omgaan, moet zich dus nog uitkristalliseren. [9]
Conclusie
Ten aanzien van de motivering bij afwijking van de bandbreedtes (en in welke gevallen rechters daartoe aanleiding zien) (onderdeel aanbeveling 1), de optelsom van meerdere correcties (aanbeveling 4) en het rekening houden met de duur van het letsel (aanbeveling 6), verwachten wij in ieder geval dat de rechtspraak nog nadere richting zal moeten geven.
Dit neemt niet weg dat de introductie van de Rotterdamse Schaal en de bijbehorende Aanbevelingen een belangrijke stap lijkt te vormen richting meer rechtszekerheid en uniformiteit bij de begroting van smartengeld.
De werkgroep heeft bovendien aangekondigd de Rotterdamse Schaal periodiek te zullen actualiseren. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en komen hier op een later moment graag op terug. Uiteraard denken wij in concrete zaken graag mee over de toepassing van de Rotterdamse Schaal en de Aanbevelingen bij de vaststelling van smartengeld.
[1] ‘Rotterdamse schaal, Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen’ is een uitgave van de Raad voor de rechtspraak/WJS uitgevers en de Erasmus School of Law; het boekje bevat 123 pagina’s.
[2] De werkgroep bestaat uit het LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton), LOVCH (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven) en LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht).
[3] Aanbevelingen, p. 1.
[4] Aanbevelingen, p. 2.
[5] Aanbevelingen, p. 2-3.
[6] HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534, r.o. 3.3.1-3.3.7.
[7] Aanbevelingen, p. 3.
[8] Aanbevelingen, p. 4.
[9] Aanbevelingen, p. 4-5.