Hoe één kapotte trailer leidt tot een wirwar aan claims

Juni 2021

Inleiding
Het Hof Den Haag heeft op 8 december 2020 een uitspraak gedaan waarin een beschadigde trailer centraal stond. De schade was ontstaan tijdens nationaal wegvervoer en de vervoerder werd aangesproken tot schadevergoeding. De vordering werd ingesteld door (onder andere) de afzender en de verzekeraars van de trailer. Dat alles doet vermoeden dat het ging om een vervoerszaak. Toch was dat niet zo. Het arrest laat zien dat het belangrijk is om goed op te letten wie welke vordering uitoefent en wat dat betekent voor de aansprakelijkheid van de gedaagde.

Achtergrond van de zaak
In 2016 vond een ongeval plaats met een combinatie van een trekker en een trailer. Door een niet nader genoemde oorzaak raakte de chauffeur een boom(stam), waardoor de trailer beschadigd raakte. De schade aan de trailer bedroeg € 8.851,19.

De trailer was eigendom van één van de eisers (“de eigenaar”). Ten tijde van het ongeval werd de trailer gehuurd door één van de andere eisers (“de huurder”), een dochteronderneming van de eigenaar. De eigenaar had de trailer voor cascoschade verzekerd bij ASR en Nationale-Nederlanden (“de verzekeraars”). De verzekering was afgesloten via een tussenpersoon (“de gevolmachtigd verzekeringsagent”). De verzekeraars hebben de cascoschade vergoed aan de eigenaar onder aftrek van het eigen risico van € 1.000,-.

Samen spreken zij de vervoerder én de chauffeur aan.

Bij de kantonrechter vorderen zij de cascoschade van € 8.851,19. Daarnaast vorderen zij stilstandschade in de hoogte van € 1.820,-, bestaande uit de kosten van de huur van vervangend materieel tijdens de reparatie van de trailer, en buitengerechtelijke kosten.

De kantonrechter wijst de vorderingen af, omdat niet duidelijk is geworden op welke basis de vervoerder de trailer onder zich had. De kantonrechter oordeelt dat hij daarom niet kan vaststellen welke verplichtingen de vervoerder en/of de chauffeur hadden ten aanzien van de trailer, en of die verplichtingen wel of niet zijn geschonden. Om dezelfde reden oordeelt de kantonrechter dat hij niet kan vaststellen welke rechten de gevolmachtigd verzekeringsagent uitoefent (klaarblijkelijk waren de verzekeraars in eerste aanleg nog geen partij en werd verondersteld dat de verzekeringsagent was gesubrogeerd in de rechten van de verzekerde).

De vorderingen
De eisers gaan in appel. Zij vorderen dezelfde schadeposten opnieuw, maar zij specificeren niet welke bedragen toekomen aan welke eiser(s). Het Hof gaat daarom zelf na welke vorderingen betrekking hebben op de verschillende eisers.

Het Hof gaat ervan uit dat de verzekeraars zijn gesubrogeerd in de rechten van de eigenaar van de trailer voor het totale bedrag van € 7.851,19 (de cascoschade minus het eigen risico) en begrijpt uit de stellingen van de eisers dat de gevolmachtigd verzekeringsagent last en volmacht heeft van de verzekeraars om dit bedrag namens hen te vorderen. Dit bedrag zou daarom moeten worden betaald aan de gevolmachtigd verzekeringsagent. Het Hof stelt vast dat datzelfde geldt voor de buitengerechtelijke kosten.

Het eigen risico van € 1.000,- wordt gevorderd door de eigenaar. Dit is lager dan de zogenaamde ‘appelgrens’ van art. 332 Rv. Dat artikel bepaalt dat er geen hoger beroep open staat voor vorderingen lager dan € 1.750,-. Ook wanneer de wettelijke rente wordt meegerekend, komt de vordering niet boven dit bedrag uit. Het Hof verklaart de eigenaar daarom niet-ontvankelijk in hoger beroep.

De stilstandschade van € 1.820,- wordt gevorderd door de huurder. Dit volgt (mede) uit het feit dat de factuur voor de huur van vervangend materieel aan haar is gericht.

Om wat voor soort vorderingen gaat het?
De kantonrechter had de vorderingen afgewezen omdat de grondslag niet duidelijk was. In hoger beroep hebben de eisers terecht aangevoerd dat het aan de rechter is om de stellingen van partijen te kwalificeren. Dat betekent dat het Hof zelf alle vorderingen en verweren gaat beoordelen.

Het Hof stelt vast dat tussen de huurder en de vervoerder een mondelinge overeenkomst is gesloten die inhield dat de vervoerder tegen betaling een trekker met chauffeur ter beschikking stelde aan de huurder om daarmee ritten uit te voeren. Dat is een overeenkomst van tijd- of reisbevrachting (art. 8:1093 BW). De huurder is daarmee de afzender van de vervoerder. Dit volgt ook uit het feit dat de vervoerder “transportwerkzaamheden” factureerde aan de huurder/afzender.

Voor de uitvoering van de onderhavige heeft de afzender de trailer ter beschikking gesteld. Het Hof kwalificeert dit als een overeenkomst van bruikleen (art. 7A:1777 BW). Bruikleen is een overeenkomst waarbij een bepaald goed kosteloos ter beschikking wordt gesteld aan een ander, onder de voorwaarde dat het goed na het gebruik wordt teruggegeven. Het Hof stelt vast dat een vervoerovereenkomst en een bruikleenovereenkomst samen kunnen gaan, omdat die regelingen niet onverenigbaar zijn.

De vorderingen ten aanzien van de cascoschade vinden hun grondslag in de bruikleenovereenkomst, aangezien de bruiklener “als een goed huisvader” voor het behoud van de trailer moest zorgen (art. 7A:1777 BW jo. 7A:1781 BW). Nu de vervoerder en de chauffeur de trailer niet onbeschadigd hebben teruggegeven, zijn zij aansprakelijk, aldus het Hof.

Verweer op basis van de verzekeringspolis van de eisers
De vervoerder en de chauffeur doen een beroep op de cascopolis die is afgesloten door de eisers (tussen de eigenaar van de trailer en de verzekeraars. Onder die polis hebben de verzekeraars de cascoschade vergoed.

De vervoerder en de chauffeur stellen zich op het standpunt dat zij medeverzekerden zijn op die polis waaronder en dat daarom regres op hen is uitgesloten (art. 7:962 lid 3 BW). Dit volgt volgens hen uit het feit dat zij beide ten tijde van het ongeval houder waren van de trailer en in art. 3.1 van de polisvoorwaarden is bepaald dat de houder medeverzekerde is.

De eisers betwisten dit en verwijzen daarbij ook naar de polisvoorwaarden. Art. 3.2 van de polisvoorwaarden bepaalt namelijk dat iemand die als de werkgever aansprakelijk is voor de schade (in dit geval de vervoerder als werkgever van de chauffeur) enkel als medeverzekerde geldt als zij haar aansprakelijkheid niet heeft gedekt middels een andere verzekering. In dit geval had de vervoerder een eigen aansprakelijkheidsverzekering. Daarom geldt de vervoerder volgens de eisers níet als medeverzekerde onder de polis.

Uitleg van de polisvoorwaarden
Het Hof overweegt dat dit uitleg vergt van de polisvoorwaarden, waarbij het, mede gezien de betrokkenheid van de belangen van derden, met name aankomt op objectieve factoren, waaronder de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.

Op die basis oordeelt het Hof dat de vervoerder en de chauffeur inderdaad zijn aan te merken als medeverzekerden. Het Hof verwerpt de stelling van de eisers dat de vervoerder op grond van art. 3.2 van de polisvoorwaarden niet als medeverzekerde geldt.

Nu dit vaststaat kan op de vervoerder en de chauffeur geen regres worden genomen ten aanzien van de cascoschade. De vordering van de verzekeraars wordt daarom afgewezen. Dat geldt ook voor de buitengerechtelijke kosten tot verhaal van die schade.

Stilstandschade
De vordering van de huurder tot vergoeding van de stilstandschade wordt toegewezen. De vervoerder (bruiklener) was immers gehouden om de trailer onbeschadigd terug te geven. Nu de vervoerder dat niet heeft gedaan is zij toerekenbaar tekort gekomen en moet zij de daardoor ontstane gevolgschade vergoeden (art. 6:74 BW).

Commentaar: de trailer in het vervoerrecht
In deze casus heeft het Hof aangenomen dat sprake was van bruikleen. Dat is ook door de eisers betoogd. Subsidiair (voor het geval het Hof niet zou uitgaan van bruikleen) hebben de eisers betoogd dat de trailer moest worden gezien als het te vervoeren goed.

Uit de jurisprudentie volgt inderdaad dat het mogelijk is dat de trailer zelf als het te vervoeren goed wordt beschouwd, bijvoorbeeld wanneer de afzender een geladen trailer aanbiedt ten vervoer. Uit het arrest blijkt niet of dat in dit geval is gebeurd. Er zijn grote verschillen tussen bruikleen en vervoer.

Als de trailer wordt beschouwd als het te vervoeren goed en beschadigd raakt tijdens het vervoer, is het vervoerrecht van toepassing. Dan is de vervoerder in principe aansprakelijk, tenzij hij een beroep kan doen op overmacht of een ontheffingsgrond. Als ‘tegenhanger’ van die snelle aansprakelijkheid gelden er aansprakelijkheidslimieten. Bij nationaal wegvervoer bedraagt de limiet € 3,40 per kilogram beschadigd goed bedragen. Gevolgschade komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Als wordt uitgegaan van bruikleen en de trailer raakt tijdens die periode beschadigd, dan gelden de bepalingen omtrent bruikleen en het algemene verbintenissenrecht. De bruikleengever moet dan aantonen dat de bruiklener niet ‘als een goed huisvader’ voor de trailer heeft gezorgd en dat daardoor schade is ontstaan. Slaagt hij daarin, dan heeft hij recht op vergoeding van de daadwerkelijke schade aan de trailer. Daarbij is ook plaats voor vergoeding van gevolgschade, zoals in de besproken casus de huurkosten van vervangend materieel.

Gezien deze verschillen is het belangrijk om goede afspraken te maken. Op die manier weten beide partijen waar ze aan toe zijn mocht er schade ontstaan, en welk risico ze eventueel moeten verzekeren.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van belangrijke ontwikkelingen en updates, kunt u zich aanmelden voor onze nieuwsbrief!

©2021 Van Traa advocaten N.v. Alle rechten voorbehouden